Wie betaalde de koloniale rekening van 1863?
Op 1 juli herdenken en vieren wij Keti Koti: het verbreken van de ketenen. Voor onze Blaka Famiri is dat een onmisbaar moment. Maar wie de geschiedenis van het Nederlandse koloniale rijk verder openvouwt, ziet nog een ander verhaal. Terwijl in Suriname en het Caribisch gebied de slavernij werd afgeschaft, bracht gedwongen arbeid op Java grote rijkdom naar Nederland. Die twee geschiedenissen behoren tot dezelfde koloniale rekening.
Vrijheid met een rekening voor de eigenaren
Op 1 juli 1863 werden tienduizenden tot slaaf gemaakte mensen in Suriname en op de Caribische eilanden wettelijk vrij verklaard. De Nederlandse staat betaalde daarvoor niet aan hen, maar aan de mensen die hen als bezit hadden gehouden. Voormalige eigenaren ontvingen samen bijna twaalf miljoen gulden.
Dat geld kwam uit een staatskas die in de negentiende eeuw sterk werd gevoed door opbrengsten uit Nederlands-Indië. Onder het Cultuurstelsel moesten Javaanse boeren exportgewassen verbouwen en leveren onder voorwaarden die door de koloniale overheid werden opgelegd. Hun arbeid hielp Nederland rijker worden. Zo raakten de afschaffing in de West en de dwang in de Oost financieel met elkaar verweven.
Dat betekent niet dat de vrijheid van een tot slaaf gemaakte Surinamer letterlijk door één Javaanse boer werd betaald. Zo eenvoudig laat een staatsbegroting zich niet lezen. Het betekent wél dat Nederland voormalige slaveneigenaren kon compenseren binnen een rijk dat ook aan Java verdiende. De rekening werd niet bij de vrijgemaakte mensen of de Javaanse boeren neergelegd door henzelf. De koloniale staat bepaalde wie moest werken en wie geld kreeg.
Wat Java betaalde
Het Cultuurstelsel bracht zware arbeidsdruk, lage vergoedingen en ontwrichting van de voedselvoorziening. In de jaren veertig van de negentiende eeuw troffen hongersnoden onder meer Cirebon en delen van Midden-Java. Historisch onderzoek legt ook een verband tussen de gedwongen teelt en hogere sterfte. Achter de opbrengsten in de Nederlandse begroting stonden dus mensen en levens.
Ook in Suriname was de wettelijke afschaffing nog geen volledige vrijheid. Tien jaar lang stonden vrijgemaakte mensen onder Staatstoezicht. Velen moesten arbeidsovereenkomsten sluiten en bleven op de plantages werken. De koloniale overheid wilde de plantage-economie overeind houden.
Toen het Staatstoezicht in 1873 eindigde, zochten plantagehouders nieuwe arbeidskrachten. Eerst kwamen onder meer contractarbeiders uit Brits-Indië. Vanaf 1890 werden ook mensen uit Java naar Suriname gebracht. Zij waren geen verlengstuk van de slavernijgeschiedenis en hun ervaringen waren niet identiek aan die van de vrijgemaakten. Maar opnieuw werd arbeid uit een kolonie ingezet om de plantages te laten draaien.
Hoe wij naar elkaar leerden kijken
Het koloniale bestuur bracht bevolkingsgroepen onder verschillende voorwaarden in hetzelfde land samen. Werk, loon, kansen en maatschappelijke positie waren ongelijk verdeeld. Zulke verschillen verdwenen niet toen de koloniale tijd voorbij was. Zij werkten door in de manier waarop Surinamers naar elkaar keken — en soms nog kijken.
Daar moeten wij eerlijk over kunnen spreken. Javaanse Surinamers kregen te maken met vernederende vooroordelen en beledigingen, ook van andere Surinamers. Dat doet pijn. Maar het zou opnieuw onrechtvaardig zijn om de schuld daarvoor bij een hele bevolkingsgroep te leggen. De vraag is hoe een samenleving zulke denkbeelden heeft aangeleerd, doorgegeven en kan afleren.
Wij hoeven het leed van onze Blaka Famiri niet kleiner te maken om dat van Javaanse voorouders te erkennen. En wij hoeven de dwang op Java niet gelijk te stellen aan de slavernij in Suriname om te zien dat beide deel waren van hetzelfde Nederlandse koloniale rijk. Iedere geschiedenis verdient haar eigen naam, haar eigen onderzoek en haar eigen erkenning.
Een gedeeld verhaal
Keti Koti vertelt terecht over strijd en het verbreken van ketenen. Het verhaal van Java laat zien welke dwang elders in het rijk doorging en hoeveel Nederland daaraan verdiende. De komst van Javaanse contractarbeiders verbindt die geschiedenissen later ook op Surinaamse bodem.
Als wij slechts één deel vertellen, blijven wij elkaar als vreemden bekijken. Vertellen wij het hele verhaal, dan kunnen wij elkaar beter begrijpen. Niet om oude wonden tegen elkaar af te wegen, maar om samen te vragen: wie profiteerde van het koloniale systeem, wie betaalde de prijs, en wat doen wij vandaag met die erfenis?
Suriname wordt sterker wanneer wij elkaars geschiedenis niet bestrijden, maar leren dragen.
Mangoenkarso Paul
15 september 2026
