De laatste jaren wordt voortdurend geklaagd over ons onderwijs. De klachten verschillen, omdat ieder het vanuit een eigen positie bekijkt. De een wijst op de vernederend lage salarissen, de ander op de werkplek. Schoolgebouwen zijn verwaarloosd: lekkende daken, lokalen die bij elke regenbui onder water lopen, afbladderende verf en toiletten die triest zijn om aan te zien.
Ook het schoolmeubilair laat te wensen over. Kinderen en leerkrachten moeten zich behelpen met kapotte tafels, stoelen en schoolborden. Lesmateriaal is oud en achterhaald. Alle scholen kampen met een tekort aan leerkrachten. Daardoor krijgen kinderen in bepaalde vakken geen les. Bij benoemingen lijkt kwantiteit soms belangrijker dan kwaliteit: als er maar iemand voor de klas staat. Wie ziet nog toe op wat er in die klas gebeurt?
Dit pakket aan klachten ken ik vooral van horen zeggen. Wat ik zelf heb ervaren, is dat leerlingen op de mulo soms een vak helemaal niet kregen, of alleen in het eerste kwartaal, terwijl ze er toch examen in moesten doen. De drieën en vieren rezen als paddenstoelen uit de grond. Kinderen waren al blij met een vijf of zes. Dat is gevaarlijk.
Ook bij de toelating van leerlingen gaat veel mis. Sommige kinderen hebben nog niet het niveau voor de mulo en blijven in leerjaar 9 twee of drie keer zitten. Dan klinkt het: ‘We zijn verplicht ze tot hun zeventiende te houden.’ Wat betekenen al die verloren jaren en frustraties voor een kind?
Er is nog veel meer mis met ons onderwijs. Ik heb geen pasklare oplossing, maar deze ervaringen mogen we niet wegwuiven.
Josta Vaseur
