Opinie | Wanneer het parlement zichzelf boven de wet plaatst: is ontbinding dan de constitutionele uitweg?

Een parlement dat wetten vaststelt, kan die wetten wijzigen of intrekken. Zolang een wet echter van kracht is, kan het parlement haar niet naar politieke willekeur buiten toepassing laten. Dat geldt temeer wanneer de wet aan een parlementair besluit een rechtsgevolg van rechtswege verbindt. Weigert het parlement dat rechtsgevolg te respecteren, dan ontstaat niet slechts een politiek conflict, maar een constitutioneel probleem.

Op 4 juni 2026 stemde de Surinaamse Nationale Assemblée (DNA) in met de vorderingen van de procureur-generaal om onder anderen Bronto Somohardjo in staat van beschuldiging te stellen. Daarmee vervulde DNA de constitutioneel voorgeschreven parlementaire schakel in de vervolging van politieke ambtsdragers.

Artikel 11 lid 3 van de Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers (WIPA) bepaalt dat de politieke ambtsdrager die in functie is, onmiddellijk en van rechtswege wordt geschorst nadat DNA heeft besloten hem in staat van beschuldiging te stellen. DNA beschikt daarbij niet over een aanvullende bevoegdheid om te bepalen of die schorsing al dan niet wordt uitgevoerd. 

Voor Somohardjo is dit staatsrechtelijk beslissend. Op 4 juni 2026 was hij DNA-lid en daarmee politiek ambtsdrager in de zin van de WIPA. Dat de verweten feiten uit zijn eerdere ministerschap dateren, staat toepassing van de WIPA niet in de weg. Artikel 11 lid 3 koppelt de schorsing aan de politieke ambtsdrager die ten tijde van de in-staat-van-beschuldigingstelling in functie is. Is aan die wettelijke voorwaarden voldaan, dan is schorsing geen politieke keuze van DNA, maar een rechtsgevolg waaraan het parlement niet voorbij kan gaan.

Artikel 55 Grondwet bepaalt dat DNA de soevereine wil van de natie tot uitdrukking brengt en het hoogste orgaan van de Staat is. Die positie ontslaat DNA niet van constitutionele gebondenheid. Artikel 69 Grondwet verplicht de wetgever, de regering en de overige overheidsorganen de Grondwet in acht te nemen. Het hoogste staatsorgaan is daarmee geen orgaan boven de rechtsorde.

Artikel 69 Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 7 Reglement van Orde van de DNA (RvO), benadrukt de institutionele verantwoordelijkheid van de DNA-voorzitter om de werkzaamheden van de Assemblée binnen de geldende constitutionele en reglementaire kaders te leiden. Artikel 7 RvO draagt de voorzitter onder meer op het Reglement van Orde te doen naleven en de besluiten van DNA uit te voeren. De voorzitter beschikt daarmee niet over een zelfstandige bevoegdheid om een wettelijk rechtsgevolg dat eenmaal van rechtswege is ingetreden, door zijn handelen of nalaten te neutraliseren.

Ook artikel 140 Grondwet bevestigt de bijzondere positie van DNA. Politieke ambtsdragers worden wegens misdrijven in hun betrekking voor het Hof van Justitie vervolgd nadat DNA hen overeenkomstig de wettelijke regeling in staat van beschuldiging heeft gesteld. DNA is geen strafrechter en beslist niet over schuld of onschuld; haar rol is procedureel en constitutioneel. Juist daarom is haar besluit niet vrijblijvend wanneer de wet daaraan rechtsgevolgen verbindt.

Het wordt constitutioneel onaanvaardbaar wanneer een lid na een dergelijke beslissing als volwaardig DNA-lid blijft deelnemen aan beraadslagingen en stemmingen. Als Somohardjo na 4 juni 2026 zijn parlementaire werkzaamheden onverkort heeft voortgezet, rijst de fundamentele vraag op welke rechtsgrond dat kon, terwijl artikel 11 lid 3 WIPA de schorsing als rechtsgevolg verbindt aan de in-staat-van-beschuldigingstelling. Dit raakt niet alleen zijn rechtspositie, maar de integriteit van de parlementaire rechtsorde zelf.

Het parlementaire mandaat wordt ingevolge artikel 65 Grondwet aanvaard onder de belofte de Grondwet te zullen gehoorzamen. Daaruit volgt een elementaire constitutionele regel: het mandaat is een constitutioneel ambt, maar geen bron van bevoegdheid om een wettelijke norm buiten toepassing te laten. 

Betekent dit dat de president bij de huidige stand van zaken DNA kan ontbinden? Artikel 56 Grondwet bepaalt een zittingsperiode van vijf jaren. De Grondwet kent geen algemene bevoegdheid van de president om DNA wegens een constitutioneel conflict of normweigering tussentijds te ontbinden.

Een uitweg ligt binnen het bestaande bestel allereerst in parlementaire correctie. Indien de voorzitter een wettelijk rechtsgevolg niet uitvoert, kan DNA hem, met inachtneming van het quorum van artikel 83 Grondwet, tot naleving van de geldende regels bewegen. Indien ook dat mechanisme door een meerderheid wordt geblokkeerd, kan de oppositie haar medewerking aan besluitvorming onthouden. Quorumonthouding ontbindt DNA niet automatisch, maar kan bij structurele toepassing leiden tot een constitutionele impasse waarin de Assemblee haar grondwettelijke taak niet langer naar behoren kan vervullen.

Het precedent van 1999 (crisis regering-Wijdenbosch) laat zien dat een dergelijke impasse uiteindelijk kan uitmonden in herstel van democratische legitimiteit door vervroegde verkiezingen. Een langdurige parlementaire blokkade leidde toen tot voortijdige beëindiging van de zittingsperiode, hoewel de Grondwet daarvoor geen uitdrukkelijke ontbindingsregeling kende. Dat precedent schept geen zelfstandige presidentiële ontbindingsbevoegdheid, maar benadrukt wel dat constitutioneel disfunctioneren uiteindelijk een democratische oplossing kan vereisen.

Juist daarom verdient een grondwetswijziging serieuze overweging. De Grondwet zou onder strikt omschreven omstandigheden een tussentijdse ontbinding kunnen toestaan, gekoppeld aan de verplichte uitschrijving van verkiezingen binnen een korte en objectief bepaalde termijn. Zo’n bevoegdheid mag geen politiek wapen van de president worden, maar uitsluitend een constitutioneel ultimum remedium bij een ernstige en structurele institutionele impasse.

De kwestie-Somohardjo gaat daarmee over meer dan de positie van één parlementariër. Zij raakt aan de vraag of een parlementaire meerderheid zelf kan bepalen welke wettelijke rechtsgevolgen zij uitvoert en welke zij om politieke redenen naast zich neerlegt. In een rechtsstaat moet het antwoord ondubbelzinnig nee zijn.

DNA is het hoogste staatsorgaan, maar niet de hoogste norm. 

K. (Chinta) Ramdhan