Een staatsrechterlijke repliek.

Eugène van der San (Bron: Starnieuws.com, 27 september 2026)
Het betoog van Eugène van der San (Bron: Starnieuws.com, 27 september 2026) raakt aan een reëel probleem, maar plaatst verschillende normatieve niveaus te dicht bij elkaar. Politieke coalitievorming, constitutionele bevoegdheden en bestuursrechtelijke besluitvorming zijn niet hetzelfde. Juist dat onderscheid is nodig om de huidige politieke spanningen staatsrechtelijk te duiden.
Suriname kent geen rechtstreeks gekozen president. Artikel 91 van de Grondwet bepaalt dat de president en vicepresident door De Nationale Assemblée (DNA) voor vijf jaar worden gekozen. Voor de verkiezing van de president is ingevolge artikel 83 een meerderheid van ten minste twee derde van het grondwettelijk aantal DNA-leden vereist. In een parlementair landschap van 51 zetels maakt dit politieke samenwerking tussen partijen doorgaans noodzakelijk. Dat is geen kwestie van politieke naïviteit, maar een gevolg van de constitutionele inrichting van het staatsbestel.
Over de wenselijkheid van dat stelsel kan uiteraard politiek worden gedebatteerd. Wie een rechtstreeks door de bevolking gekozen president wenst, bepleit daarmee een andere constitutionele legitimatie van het presidentschap. Dat debat behoort echter op het niveau van de Grondwet te worden gevoerd.
Van der San wijst erop dat de president bevoegd is binnen het openbaar bestuur beslissingen te nemen. Dat is juist, maar daaruit volgt niet dat politieke afspraken binnen een coalitie staatsrechtelijk irrelevant zijn.
Het regeerakkoord van 25 juni 2025 is ondertekend door NDP, NPS, ABOP, PL, A20 en BEP. Het vormt de politieke basis voor de samenwerking tussen deze partijen. Het is echter geen wet in formele zin en kan de constitutionele bevoegdheden van de president niet wijzigen.
Artikel 110 kent de president onder meer bevoegdheden toe op het terrein van benoeming, schorsing en ontslag van personen met een overheidstaak, voor zover die bevoegdheid niet aan een ander staatsorgaan is opgedragen. De uitoefening daarvan vindt plaats binnen een politieke werkelijkheid waarin coalitiepartijen afspraken maken over de samenstelling en uitvoering van het regeringsbeleid.
Een coalitieafspraak kan daarmee politiek bindend zijn voor de partijen die haar maken, zonder daardoor een juridische beperking te worden van een constitutionele bevoegdheid. Dat onderscheid is van belang bij de beoordeling van verwijten over het al dan niet nakomen van gemaakte afspraken.
Het politieke en bestuurlijke ambt behoort tot de fundamenten van de Surinaamse democratische rechtsstaat. President, ministers, DNA-leden, districtscommissarissen, directeuren van departementen en functionarissen binnen parastatale instellingen dragen, ieder binnen hun eigen bevoegdheid en ver-antwoordelijkheid, bij aan de besluitvorming die rechtstreeks ingrijpt in het dagelijks leven van burgers. Een integere, zorgvuldige en gewetensvolle uitoefening van die functies is daarom niet slechts een persoonlijke deugd, maar een publiek belang.
Juist daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen de aard van een functie en de politieke betekenis van een benoeming. Dat een directeur of districtscommissaris geen rechtstreeks gekozen politieke ambtsdrager is, betekent niet dat zijn benoeming uitsluitend een bestuurlijk-technische aangelegenheid is. Een benoeming kan juridisch een bestuursbesluit zijn en tegelijkertijd politiek onderdeel zijn van de afspraken waarop een coalitie berust.
Het omgekeerde geldt eveneens: een politieke afspraak over een benoeming schept niet daardoor een juridisch afdwingbaar recht op die benoeming. Wie meent dat een afspraak niet wordt nagekomen, kan dus een politiek geschil aan de orde stellen zonder dat daarmee automatisch een bestuursrechtelijke rechtsnorm is geschonden.
Ook de discussie over de positie van een partij met 18 zetels tegenover een partij met 6 zetels verdient nuancering. In een coalitiestelsel wordt de onderhandelingspositie niet uitsluitend bepaald door het absolute zeteltal. Ook de vereiste meerderheid, de samenstelling van de coalitie en de politieke gevolgen van het wegvallen van een partner zijn relevant.
De huidige coalitie beschikt met 34 van de 51 zetels over een tweederdemeerderheid. Dat betekent niet dat iedere coalitiepartner dezelfde politieke invloed heeft, maar evenmin dat een kleinere partij geen onderhandelingsmacht bezit. Coalitiepolitiek berust op het voortdurend zoeken naar voldoende gezamenlijke steun.
Het dreigen met beëindiging van politieke samenwerking is op zichzelf geen staatsrechtelijke normschending. Het is een politiek middel waarvan de gevolgen uiteindelijk door de betrokken partijen en hun kiezers worden beoordeeld. De politieke consequenties daarvan kunnen aanzienlijk zijn, maar moeten worden onderscheiden van de juridische gevolgen.
De kern van het vraagstuk is niet welke coalitiepartner politiek naïef is geweest, maar hoe het huidige constitutionele bestel in de politieke praktijk functioneert.
Een door DNA gekozen president opereert in een gefragmenteerd parlement en moet daarbij voortdurend rekening houden met de politieke verhoudingen die aan haar verkiezing en regeringsvorming ten grondslag liggen. Dat is geen afwijking van het systeem, maar een rechtstreeks gevolg van de constitutionele inrichting ervan.
Wie daarin fundamentele verandering wenst, zal het debat moeten voeren over de inrichting van het staatsbestel zelf. Een rechtstreeks gekozen president vergt immers een andere constitutionele constructie dan de huidige verkiezing door DNA. Zolang die inrichting niet verandert, zullen politieke onderhandelingen, compromissen en spanningen tussen coalitiepartners onderdeel blijven van het functioneren van een meerpartijenregering.
De discussie verdient daarom minder morele kwalificaties en meer staatsrechtelijke precisie. Niet de vraag wie politiek gelijk heeft, staat voorop, maar hoe het gekozen constitutionele model in de dagelijkse politieke praktijk uitwerkt.
Dat is geen kwestie van politieke naïviteit, maar van de werking van het constitutioneel bestel.
K. (Chinta) Ramdhan
