
Radjesh Dielbandhoesing
Gastcolumn
De rode kaart voor verdeeldheid
Wie draagt de eenheid van Suriname?
Het is eigenlijk een beetje gek. Je gaat naar het buitenland voor een voetbalwedstrijd, een wedstrijd waarin strijd centraal staat, emoties hoog oplopen en winnen belangrijk is. Voetbal is emotie, maar er is een grens: tussen fanatiek zijn en fatsoen verliezen, tussen strijd en vernedering, tussen emotie en gedrag dat niets meer met sport te maken heeft.
Die grens werd tijdens Guatemala–Suriname pijnlijk zichtbaar. Surinaamse spelers meldden dat vanuit de tribunes apengeluiden werden gemaakt. Richonell Margaret reageerde en kreeg een rode kaart. De wedstrijd werd onderbroken en na afloop vroeg Suriname FIFA en Concacaf om op te treden tegen het gemelde racisme. Dat gedrag verdient zonder omwegen afwijzing. Maar daarna begint voor mij een andere vraag: hoe consequent zijn wij zelf?
In Suriname spreken we graag over onze diversiteit. Hindoestanen, Creolen, Javanen, Marrons, Inheemsen, Chinezen, Boeroes en alle andere groepen die samen dit merkwaardige en prachtige land vormen. Jaggernath Lachmon droeg eenheid in verscheidenheid uit als een belangrijk politiek ideaal. Maar eenheid bestaat niet omdat wij haar uitspreken. Eenheid wordt zichtbaar wanneer wij dezelfde maatstaf gebruiken — óók wanneer degene die over de schreef gaat uit onze eigen kring komt.
Niet: Hij is één van ons, dus…
Niet: Hij is één van hen, dus…
Maar simpelweg: Dit gedrag klopt niet. Punt.
Beschaving behoort niet aan één bevolkingsgroep. Moraal evenmin. Fatsoen heeft geen etnische afkomst. En respect wordt niet bepaald door de kleur van je huid, je achternaam of de geschiedenis van je voorouders. Laten we ons ook niets wijsmaken: dit gebeurt niet alleen in Guatemala. Ook in Europese stadions, ook in Nederland, zijn zwarte spelers geconfronteerd met oerwoudgeluiden, racistische spreekkoren en zelfs bananen op het veld. Het probleem kent geen nationaliteit.
Daarom is een nationaal elftal zoveel meer dan elf voetballers. Wanneer zij met Suriname op hun borst het veld betreden, vertegenwoordigen zij ons allemaal: één shirt, één vlag, één volkslied, één team. Dat is misschien juist waarom het racisme in Guatemala zo hard aankomt. Op dat moment werd niet één bevolkingsgroep vernederd. Suriname stond daar.
Maar diezelfde eenheid moeten wij ook thuis kunnen opbrengen. Niet alleen wanneer een buitenlander ons beledigt, maar ook wanneer wij elkaar verdelen, wanneer afkomst wordt gebruikt als politiek wapen of wanneer wij beledigingen vergoelijken omdat de spreker toevallig tot onze eigen groep behoort. Eenheid vraagt iets moeilijks: dat wij iemand uit onze eigen kring net zo streng durven aanspreken als iemand daarbuiten. Dat is geen verraad aan je groep. Dat is loyaliteit aan je land.
Misschien is dát de echte wedstrijd die Suriname moet spelen. Niet tegen Guatemala. Niet tegen een ander volk. Maar tegen onze eigen neiging om telkens weer in groepen uiteen te vallen. Onze gevaarlijkste tegenstander staat soms niet aan de overkant van het veld. Hij staat tussen ons in.
Wie draagt de eenheid van Suriname? Wijzelf.
Deze bijdrage is een gastcolumn. De inhoud en standpunten vallen onder verantwoordelijkheid van de auteur.
