
Wanneer de overheid een financiële tegemoetkoming aankondigt, mag de burger verwachten dat zij haar eigen regeling rechtmatig en consequent uitvoert. Het interview met de heer Coroni, die naar eigen zeggen slechts SRD 500 ontving voor zijn gouden huwelijk, terwijl hij aanspraak meent te hebben op SRD 15.000, roept ernstige vragen op over de betrouwbaarheid en rechtsstatelijke kwaliteit van het Surinaamse bestuur.
Het verschil bedraagt SRD 14.500. Maar de principiële kwestie is groter: kan een burger erop vertrouwen dat de overheid een eenmaal vastgestelde regeling daadwerkelijk naleeft?
Een aankondiging schept verantwoordelijkheid
Volgens de bekendgemaakte regeringsplannen zou de tegemoetkoming voor een vijftigjarig huwelijksjubileum met ingang van 1 juli 2025 SRD 15.000 bedragen. Of deze aankondiging de heer Coroni een afdwingbaar recht op SRD 15.000 verleent, hangt af van de inhoud en rechtskracht van de toepasselijke regeling, alsmede van de voorwaarden waaronder de tegemoetkoming wordt toegekend.
Die juridische verificatie is noodzakelijk, maar mag geen voorwendsel worden om verantwoording uit te stellen. Indien de regeling op de situatie van de heer Coroni van toepassing is, dient de overheid deugdelijk uiteen te zetten op welke grond hij slechts SRD 500 in plaats van SRD 15.000 heeft ontvangen. Indien zij niet van toepassing is, moet zij de concrete rechtsgrond daarvoor aanwijzen.
Behoorlijk bestuur vereist uitleg
Het legaliteitsbeginsel verlangt een toereikende rechtsgrond voor overheidshandelen. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de voorzienbaarheid van overheidsoptreden. Het gelijkheidsbeginsel verlangt dat vergelijkbare gevallen volgens dezelfde relevante maatstaven worden behandeld. En het motiveringsbeginsel vereist dat een besluit dat de rechtspositie van een burger raakt, van een deugdelijke verklaring wordt voorzien.
Deze beginselen zijn geen abstracte juridische formules. Zij stellen concrete eisen aan de uitvoering van overheidsbeleid. Een aanzienlijk verschil tussen het aangekondigde bedrag en de feitelijke betaling vraagt om een controleerbare verklaring: welke regeling is toegepast, aan welke voorwaarden moest worden voldaan en op welke grond is het uitgekeerde bedrag vastgesteld?
Ook het vertrouwensbeginsel is relevant. Een politieke aankondiging wordt pas tot een afdwingbare aanspraak wanneer zij in een rechtsgeldige regeling of een voldoende concrete, aan de overheid toe te rekenen toezegging is neergelegd. Wanneer een bevoegde overheidsinstantie echter een voldoende concrete toezegging doet of een rechtsgeldige regeling vaststelt, kan daaruit onder de toepasselijke voorwaarden gerechtvaardigd vertrouwen voortvloeien. De overheid kan dat vertrouwen niet zonder juridische rechtvaardiging terzijde schuiven.
Transparantie mag niet ontbreken
Volgens de beschikbare informatie worden huwelijksjubilea via de Burgerlijke Stand geregistreerd en worden gegevens voor verdere afhandeling aan betrokken overheidsinstanties doorgeleid. Daaruit volgt een wezenlijke vervolgvraag: volgens welke criteria wordt vastgesteld wie aanspraak maakt op de tegemoetkoming, welk bedrag daarbij wordt toegekend en op welke gronden in individuele gevallen kan worden afgeweken van het aangekondigde bedrag?
De toepasselijke regeling, de toelatingsvoorwaarden, eventuele uitzonderingsgronden en de procedure om een onjuiste betaling aan te vechten, behoren voor burgers voldoende kenbaar te zijn. Wanneer die duidelijkheid ontbreekt, wordt het moeilijk om aanspraken te controleren en ongelijke behandeling te signaleren.
De minister van Binnenlandse Zaken behoort daarom openheid te geven over de rechtsgrond, de uitvoeringsprocedure en de betaling aan de heer Coroni. De Nationale Assemblée kan de kwestie benutten om te onderzoeken of de regeling consequent wordt uitgevoerd. Blijken vergelijkbare gevallen zonder objectieve rechtvaardiging verschillend te zijn behandeld, dan is onderzoek naar de uitvoeringspraktijk noodzakelijk.
De overheid moet haar eigen regels naleven
Voor burgers met beperkte financiële middelen kan SRD 15.000 een aanzienlijk bedrag zijn. Een overheid die van haar burgers naleving van regels verlangt, moet zelf het voorbeeld geven. Zij kan een aangekondigde tegemoetkoming niet behandelen als een vrijblijvende gunst wanneer de toepasselijke regeling eenmaal een aanspraak vestigt.
Daarom zijn drie antwoorden onontkoombaar: welke rechtsregel gold voor de heer Coroni, waarom ontving hij SRD 500 en welke correctie volgt als blijkt dat hem te weinig is betaald?
Indien zijn aanspraak op SRD 15.000 vaststaat, dient het nog openstaande saldo alsnog te worden uitgekeerd.
Behoorlijk bestuur wordt niet bewezen door bedragen aan te kondigen, maar door besluiten rechtmatig, transparant en gelijkelijk uit te voeren. De kwestie- Coroni verdient daarom meer dan publieke verontwaardiging: zij vraagt om een controleerbare uitleg en, waar nodig, herstel. Een overheid die haar eigen regels niet zichtbaar en consequent naleeft, verliest niet alleen het vertrouwen van haar burgers, maar tast ook haar rechtsstatelijke geloofwaardigheid aan.
K. (Chinta) Ramdhan
