
Mangoenkarso Paul
Column
De afschaffing van de slavernij in 1863 bracht juridische vrijheid, maar nog geen gelijkwaardige maatschappelijke positie. Door het Staatstoezicht bleven veel vrijgemaakten tot 1873 verplicht onder beperkende voorwaarden werken. Daarna moesten zij hun zelfstandigheid opbouwen binnen een samenleving waarin koloniale machtsverhoudingen bleven voortbestaan.
Mijn stelling is dat het koloniale bestuur én de lichtgekleurde elite de maatschappelijke vooruitgang van de Afro-Surinaamse volksklasse begrensden. Onderwijs en hard werken boden kansen, maar toegang tot bezit, aanzien en politieke macht bleef ongelijk verdeeld.
Van plantage naar stad
Na 1873 trokken veel vrijgemaakten naar Paramaribo. Anderen zochten zelfstandigheid in de districten. In de stad boden erfwoningen, de prasi oso’s, ruimte voor gezinsleven, onderlinge steun en economische activiteiten.
De plantage-economie werd ondertussen aangevuld met nieuwe arbeidskrachten: Hindostaanse contractarbeiders vanaf 1873 en Javaanse vanaf 1890. Ook zij kwamen terecht in een koloniale arbeidsorde die hun vrijheid beperkte. De verschillende bevolkingsgroepen kregen daarmee uiteenlopende uitgangsposities, zonder dat zij zelf de inrichting van het systeem bepaalden.
Zelfstandig, maar zonder kapitaal
Vrijgemaakten kregen geen financiële basis die vergelijkbaar was met de compensatie aan voormalige slaveneigenaren. Velen waren daardoor aangewezen op loonarbeid of kleine zelfstandige activiteiten.
Afro-Surinaamse vrouwen werkten onder meer als wasvrouw, huishoudelijke hulp en verkoopster. Mannen vonden werk in ambachten en transport. De wasi-wuman laat zien hoe zwaar economische zelfstandigheid kon zijn: lichamelijk uitputtend werk, weinig middelen en afhankelijkheid van betalende klanten.
In mijn lezing weerspiegelden zulke arbeidsverhoudingen ook de macht van de elite. Wie geld en maatschappelijke invloed bezat, kon voorwaarden stellen aan degenen die hun dagelijks brood moesten verdienen. Vrouwen droegen daarbij zowel de last van hun werk als die van het huishouden.
In Coronie en Para kochten groepen vrijgemaakten gezamenlijk plantages om zelfstandig landbouw te bedrijven. Dat waren bewuste pogingen om afhankelijkheid te doorbreken. Maar zonder voldoende kapitaal, infrastructuur en afzetmogelijkheden bleef die autonomie kwetsbaar. Het koloniale beleid bood hun onvoldoende ruimte om zich tot een sterke zelfstandige boerenklasse te ontwikkelen.
Onderwijs als tweesnijdend zwaard
Onderwijs werd een belangrijk emancipatiemiddel. Met de algemene leerplicht van 1876 ontstonden nieuwe mogelijkheden, vooral voor gezinnen met toegang tot scholen. Binnen volgende generaties konden Afro-Surinamers onderwijzer, klerk of ambtenaar worden.
Tegelijk droeg onderwijs koloniale normen over. Het Nederlands en Europese cultuurvormen golden als maatstaven voor maatschappelijke geschiktheid. Vooruitkomen betekende daardoor vaak ook aanpassen aan een orde die de eigen taal en cultuur lager waardeerde.
Onderwijs opende deuren, maar maakte niet iedereen gelijk. De afstand tot scholen en de verschillen tussen stad en district bepaalden mede wie van die kansen kon profiteren.
De muren van de elite
Binnen de koloniale samenleving hingen huidskleur, bezit, opleiding en afkomst samen met maatschappelijke rangorde. Deze ‘pigmentocratie’ gaf de lichtgekleurde burgerij een bevoorrechte positie tussen het koloniale gezag en de volksklasse.
Die elite vormde geen volledig eensgezind blok. Toch ontslaat dat haar niet van kritiek. Naar mijn oordeel verdedigde een deel van deze burgerij haar eigen positie, terwijl de bredere volksklasse beperkte toegang hield tot macht en middelen.
Ook het beperkte kiesrecht beschermde de bestaande verhoudingen. Grote delen van de bevolking konden hun belangen niet via verkiezingen laten gelden. Protest en organisatie, onder anderen rond Louis Doedel en Anton de Kom, maakten die uitsluiting zichtbaar.
Vrijheid bleef een strijd
Het algemeen kiesrecht van 1948 doorbrak een belangrijke politieke uitsluiting. Het maakte echter geen einde aan de koloniale verhoudingen of aan sociale ongelijkheid.
De emancipatie tussen 1863 en 1948 was daarom geen rechte weg naar gelijkwaardigheid. Vrijgemaakten en hun nakomelingen bouwden aan zelfstandigheid, terwijl koloniale instellingen en gevestigde belangen hun mogelijkheden begrensden.
Wie deze geschiedenis uitsluitend als vooruitgang beschrijft, mist de strijd achter die vooruitgang. Juridische vrijheid was het begin. Maatschappelijke gelijkwaardigheid moest worden bevochten.
De auteur is verantwoordelijk voor de inhoud en de ingenomen standpunten.
