De discussie over mijnbouw en concessies raakt aan een fundamenteler probleem: van wie is de grond waarop zulke rechten worden verleend?
Suriname heeft de collectieve grondenrechten van Inheemse en tribale volken nog niet definitief in nationale wetgeving vastgelegd. Tegelijk zoekt de regering naar tijdelijke bescherming van woon- en leefgebieden, juist omdat die structurele regeling nog ontbreekt.
Maar traditionele woon- en leefgebieden houden niet op bij een cirkel rond een dorp. Jacht, visserij, landbouw, heilige plaatsen, waterwegen en gemeenschapsgebruik strekken zich vaak veel verder uit. Daarom kunnen grenzen en toestemming niet pas aan de orde komen nadat een derde al rechten heeft gekregen.
Daar komt een duidelijke internationale verplichting bij. In de zaak Saramaka People v. Suriname bepaalde het Inter-Amerikaans Hof dat Suriname traditionele gebieden moet afbakenen, demarqueren en collectief tituleren. Tot dat is gebeurd, moet de staat zich onthouden van handelingen die het gebruik en genot van die gebieden aantasten, tenzij sprake is van vrije, voorafgaande en geïnformeerde instemming.
Ook het huidige wetsproces laat zien dat er nog een juridisch gat bestaat. Een ontwerp voor collectieve rechten ligt bij De Nationale Assemblée, terwijl de praktijk van concessies en grondgebruik gewoon doorgaat.
De kernvraag is daarom simpel: hoe kan de staat rechten aan derden verlenen in gebieden waarvan het collectieve eigendom nog niet definitief is geregeld?
Dat is niet alleen een juridische vraag, maar ook een kwestie van vertrouwen.
Bescherming achteraf is zwakker dan duidelijkheid vooraf. Wie onze bodem verdeelt, moet eerst weten — en respecteren — van wie die bodem traditioneel is.
