
Wanneer angst dicteert, zwijgen wij
Ik heb geluisterd naar mensen die nu op leeftijd zijn. Naar hun herinneringen, soms verteld in korte fragmenten. Die breng ik hier samen, in mijn woorden.
Een naam valt. Iemand kijkt naar de deur. Een stem wordt zachter.
Voetstappen. Een auto stopt. Er wordt op de deur geklopt.
Een oudere dame krimpt in elkaar.
Op het toilet zit een moeder die er niet uit wil komen. Ook zij heeft het gehoord. Ze legt haar hand over de mond van haar vierjarige dochtertje. Dat kind begrijpt dat het stil moet zijn. En huilt zachtjes.
De omstandigheden verschillen in de herinneringen die mij zijn verteld. Maar telkens komt de vraag terug hoe mensen zichzelf en hun gezin buiten gevaar probeerden te houden. Het geweld van 1982 liet sporen achter bij mensen die daarna verder moesten leven, werken en hun kinderen grootbrengen.
Wat heeft die angst met ons gedaan? En in hoeverre ligt daar een oorsprong van wat ik vandaag als moreel faillissement zie?
Zwijgen kon bescherming bieden. Wie wist wat anderen was overkomen, woog zijn woorden. Een waarschuwing aan een kind — “daar praat je buiten niet over” — kon voortkomen uit liefde en verantwoordelijkheid. Ouders wilden dat hun kinderen veilig thuiskwamen.
Wie dat zwijgen achteraf veroordeelt, moet ook vragen wat spreken had kunnen kosten. De verantwoordelijkheid voor onderdrukking ligt bij degenen die haar uitoefenden. Zij mag niet worden afgewenteld op mensen die probeerden te overleven.
Maar wat gebeurt er wanneer zulke waarschuwingen jarenlang worden herhaald? Een kind leert welke namen een gesprek doen stilvallen. Het merkt wanneer volwassenen elkaar aankijken en van onderwerp veranderen. Het kan die voorzichtigheid overnemen zonder de gebeurtenis te kennen waaruit zij is ontstaan. Kan angst ook doorwerken in volgende generaties?
De vlucht
Vele duizenden verlieten Suriname, niet alleen om economische redenen, maar ook om hun leven te behouden en hun kinderen en gezinnen te beschermen. In de herinneringen die mij zijn verteld, komt ook dat vertrek terug. Gevlucht om een leven zonder angst te kunnen opbouwen.
Maar kon de angst achterblijven in het land dat zij verlieten? Of reisde die mee?
De terugkeer naar democratisch bestuur verdient vanuit dat perspectief aandacht. In 1987 kreeg Suriname een nieuwe Grondwet en kwamen er weer verkiezingen. Tegelijk behield het leger grondwettelijke politieke bevoegdheden. Volgens de officiële toelichting van 1992 bestonden daar al vóór het referendum ernstige bezwaren tegen. Toch werd de tekst aanvaard om de terugkeer naar democratie mogelijk te maken.
Een voorgenomen herziening bleef aanvankelijk uit door wat die toelichting “diverse omstandigheden” noemt. De telefooncoup van december 1990 toonde hoe kwetsbaar het burgerbestuur nog was. In 1992 werden de politieke bevoegdheden van het leger uit de Grondwet geschrapt: een wezenlijke stap om de militaire invloed terug te dringen. Memorie van toelichting bij de wijzigingswet van 8 april 1992.
Een staatsbestel kan echter sneller veranderen dan het vertrouwen van degenen die onder bedreiging hebben geleefd. Wanneer voel je je weer veilig genoeg om kritiek te geven? Welke ervaringen overtuigen je ervan dat bescherming ook geldt voor iemand zonder politieke connecties?
Wanneer tegenspraak gevaarlijk is geweest, kan wegkijken vertrouwd raken. Wanneer macht bescherming biedt, kan verbondenheid met een machthebber belangrijker worden dan diens handelen. En waar openlijke gesprekken worden vermeden, kunnen verhalen achter gesloten deuren gaan circuleren. Vermoedens worden doorverteld, terwijl betrokkenen niet rechtstreeks worden bevraagd. Zo kunnen angst en wantrouwen elkaar versterken.
Dat is geen verklaring voor iedere roddel, iedere politieke loyaliteit of iedere misstand. Eigenbelang en machtswellust bestonden vóór 1982. Mensen kunnen bovendien bewust profiteren van een situatie waarvoor anderen bang zijn. We moeten die verschillen wel blijven zien.
Angst kan gedrag verklaren. Zij ontslaat ons niet voor altijd van verantwoordelijkheid.
Daarom moeten we ook onze huidige keuzes onderzoeken. Wanneer is zwijgen nog bescherming? Wanneer wordt het berusting? En wanneer kiezen wij ervoor niets te zeggen omdat het ons goed uitkomt?
Wat ik moreel faillissement noem, wordt zichtbaar wanneer wij bij onze eigen leider vergoelijken wat wij bij een tegenstander veroordelen. Wanneer slachtoffers worden weggezet omdat hun verhaal een politieke held beschadigt. Wanneer loyaliteit zwaarder weegt dan aantoonbaar onrecht.
Dat oordeel richt zich op ons handelen, niet op een vermeend gebrek in de Surinaamse bevolking. Er zijn altijd mensen geweest die zich uitspraken, anderen beschermden en tegenmacht organiseerden. Hun optreden laat zien dat angst mensen niet allemaal dezelfde kant op dwingt.
Herstel vraagt om ruimte voor kritiek binnen de eigen partij, bescherming voor wie misstanden meldt en respect voor nabestaanden die hun verhaal vertellen. Vertrouwen groeit wanneer mensen ervaren dat die bescherming werkelijk geldt, ook zonder invloedrijke vrienden. Daarvoor moeten wij dezelfde normen hanteren voor vrienden en tegenstanders.
De moeder en haar dochtertje uit de opening van het verhaal brengen mij terug naar de kern. Niemand zou een kind zo stil hoeven houden uit vrees voor wat er aan de deur staat. En niemand zou een leven lang moeten blijven spreken alsof die dreiging nog ieder moment kan terugkeren.
Wat ooit nodig was om te overleven, mag niet onbesproken bepalen hoe wij vandaag samenleven.
Daarom krijg ik kippenvel wanneer Kanhai Bouterse in het verlengde plaatst van het streven van Anton de Kom. Hij deed die uitspraak in een interview met LIM FM, volgens de weergave van Suriname Herald van 18 oktober 2026.
Ik denk dan aan de moeder op het toilet. Aan haar hand over de mond van haar dochtertje.
Waar krijgen zij een plaats in die vergelijking?
