
Er is iets ongemakkelijks aan het artikel van Starnieuws van 29 oktober 2026, getiteld ‘Tweede kort geding om uitzetting mennonieten te stoppen’, over de voorgenomen uitzetting van de mennonieten in Kraka. Niet omdat deze kwestie geen publiek belang dient – integendeel – maar omdat journalistieke openbaarheid en persoonlijke waardigheid niet hetzelfde zijn.
De krant bericht over een tweede gerechtelijke procedure, aangespannen door advocaat Derrick Veira namens een groep mennonieten die uitzetting wil voorkomen. Daarbij verwijst zij naar eerdere overheidstoestemmingen, een publiek-private samenwerking, gedane investeringen en bezwaren tegen het optreden van politie en andere autoriteiten. Dat zijn onderwerpen van evident maatschappelijk belang. Opmerkelijk is echter dat de redactie bij haar berichtgeving een gedeelte van een pagina uit het verzoekschrift als afbeelding heeft gepubliceerd, waarop de volledige namen van de eisers zichtbaar zijn. Juist die redactionele keuze verdient een afzonderlijke juridische en journalistiek-ethische beoordeling.
Het argument vóór openbaarmaking
Starnieuws kan aanvoeren dat de publicatie bijdraagt aan transparantie en controleerbaarheid. Door een originele pagina uit het processtuk te tonen, krijgt de lezer rechtstreeks inzicht in de juridische procedure en de identiteit van de eisende partijen. Bovendien raakt de zaak aan de bevoegdheid van de Staat om vreemdelingen uit te zetten, de rechtsbescherming van betrokkenen en de naleving van fundamentele rechten.
Dat argument verdient serieuze aandacht. Persvrijheid omvat immers ook de vrijheid om gerechtelijke procedures kritisch te volgen en relevante documenten te publiceren. Maar het maatschappelijke belang van een onderwerp rechtvaardigt niet automatisch iedere wijze waarop daarover wordt bericht.
De juridische grens
Artikel 17, lid 1, van de Surinaamse Grondwet waarborgt eenieder het recht op eerbiediging van het privéleven, het gezin, de woning, eer en goede naam. De formulering ‘eenieder’ maakt duidelijk dat deze bescherming niet afhankelijk is van nationaliteit of verblijfsrecht. Ook vreemdelingen zonder geldige verblijfsvergunning vallen daaronder.
Deze bescherming vindt bovendien steun in artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 11 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (AVRM). Daartegenover staan de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, onder meer beschermd door artikel 19 IVBPR en artikel 13 AVRM.
Deze rechten moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Daarbij verdient vermelding dat de Surinaamse Ontwerpwet Bescherming Privacy en Persoonsgegevens nog bij De Nationale Assemblee in behandeling is. Artikel 43 van die ontwerpwet kan daarom niet als geldend recht worden ingeroepen. Dat laat de bestaande grondwettelijke en verdragsrechtelijke privacybescherming onverlet.
Openbaarheid is geen vrijbrief
Een advocaat vermeldt namen in een verzoekschrift, omdat de rechter de identiteit en de procesrechtelijke hoedanigheid van eisers moet kunnen vaststellen. Daaruit volgt echter niet dat een krant dezelfde gegevens integraal moet publiceren. Het gerechtelijke doel van de naamsvermelding en het journalistieke doel van publicatie zijn juridisch verschillende aangelegenheden.
De beslissende vraag is daarom niet uitsluitend of de redactie over het document mocht beschikken, maar of het noodzakelijk en evenredig was de namen integraal zichtbaar te maken. Had anonimisering de controleerbaarheid en informatiewaarde van het bericht wezenlijk aangetast? Welk aanvullend publiek belang werd met de herkenbaarheid van de afzonderlijke eisers gediend?
Vooral bij personen zonder publieke functie en bij gezinnen met minderjarige kinderen verdient terughoudendheid bijzondere aandacht. De combinatie van volledige namen met verblijfplaats, nationaliteit en migratiestatus kan identificatie en mogelijke kwetsbaarheid vergroten, zonder dat die gegevens noodzakelijkerwijs iets toevoegen aan het publieke debat.
De internationale maatstaf
Een bruikbaar rechtsvergelijkend toetsingskader biedt het arrest van de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 februari 2012, Axel Springer AG tegen Duitsland (nr. 39954/08, §§ 89–95). Het Hof formuleerde daarin criteria voor de afweging tussen privacy en persvrijheid, waaronder de bijdrage aan een debat van algemeen belang, de publieke positie van betrokkenen, de inhoud en vorm van de publicatie en de mogelijke gevolgen daarvan.
Dit arrest is niet rechtstreeks bindend voor Suriname, maar biedt wel een gezaghebbend vergelijkend interpretatiekader. Toegepast op deze kwestie is het publieke belang van de berichtgeving evident. De afzonderlijke noodzaak om alle namen zichtbaar te publiceren, is daarmee echter nog niet aangetoond.
Journalistieke vrijheid vergt verantwoordelijkheid
De redactie mag berichten over de uitzettingsprocedure, het aantal betrokkenen, de juridische argumenten en het optreden van de autoriteiten. Zij mag ook processtukken als journalistieke bron gebruiken. Maar persvrijheid ontslaat haar niet van de verantwoordelijkheid om bij iedere publicatie de noodzakelijkheid en evenredigheid van de gekozen vorm te beoordelen.
Privacy is geen voorrecht dat uitsluitend toekomt aan personen met een geldige verblijfsvergunning. Juist wanneer mensen zich in een kwetsbare juridische en maatschappelijke positie bevinden, verdient hun persoonlijke levenssfeer serieuze bescherming.
De vraag aan Starnieuws is daarom eenvoudig: waarom heeft de redactie de volledige pagina met de namen van de eisers gepubliceerd, terwijl anonimisering de journalistieke controleerbaarheid en het publieke belang van de berichtgeving niet wezenlijk had hoeven aantasten?
De openbaarheid van het nieuws rechtvaardigt niet vanzelfsprekend de openbaarheid van iedere identiteit.
K. (Chinta) Ramdhan
Deze bijdrage verschijnt onder verantwoordelijkheid van de auteur. De standpunten geven niet noodzakelijk de opvattingen van Suriname Unite weer. Lees de volledige disclaimer.
