Illustratie gemaakt met AI; geen werkelijk processtuk.
Er is iets ongemakkelijks aan het artikel van Starnieuws van 29 oktober 2026, getiteld ‘Tweede kort geding om uitzetting mennonieten te stoppen’, over de voorgenomen uitzetting van de mennonieten in Kraka. Niet omdat deze kwestie geen publiek belang dient – integendeel – maar omdat journalistieke openbaarheid en persoonlijke waardigheid niet hetzelfde zijn.
De combinatie van het lidmaatschap van de Surinaamse Staatsraad en de uitoefening van de advocatuur is niet zonder meer wettelijk verboden. Zij kan echter problematisch worden wanneer een advocaat in een concrete zaak optreedt voor een overheidsorgaan of een parastatale rechtspersoon, terwijl zijn positie binnen de Staatsraad hem institutioneel dicht bij de betrokken besluitvormers brengt. Die spanning rechtvaardigt een nadere wettelijke regeling.
Wanneer een verpleegkundige haar koffers pakt, vertrekt er meer dan een werknemer. Een afdeling verliest ervaring. Collega’s missen iemand op wie zij konden rekenen. Een gezin raakt de dagelijkse nabijheid van een geliefde kwijt. Over de uittocht van geschoolde mensen spreken we vaak in cijfers. Maar wie kijkt naar de mensen die achterblijven?
Achter de cijfers
Minister André Misiekaba sprak in september 2026 over bijna duizend verpleegkundigen die tussen 2019 en 2025 waren vertrokken. Daarnaast meldde AZP-directeur Claudia Marica-Redan in oktober dat sinds 2021 in totaal 567 verpleegkundigen het ziekenhuis hadden verlaten. Dat laatste cijfer is niet automatisch het aantal emigranten: vertrek bij een werkgever en vertrek uit het land zijn verschillende zaken.
De zorg staat hoe dan ook voor een grote opgave. Met een ervaren verpleegkundige verdwijnen ook kennis, routine en begeleiding van jongere collega’s. Een nieuwe medewerker opleiden kost tijd. Wie achterblijft, moet ondertussen verder.
Geld vervangt geen aanwezigheid
Familieleden in Nederland kunnen helpen met geld, pakketten en andere steun. Die hulp is waardevol. Zij kan het verschil maken tussen een rekening betalen en schulden opbouwen. Maar geld vervangt niet de dochter die even langskomt, de vader die oppast of de vriendin die merkt dat het niet goed met je gaat.
Je kunt iemand een betere toekomst gunnen en die persoon tegelijk verschrikkelijk missen. Een videogesprek helpt, maar is geen bezoek. Voor sommige achterblijvers kan het vertrek voelen als rouw om een nabijheid die verdwenen is, terwijl de ander nog leeft.
Dat maakt mensen die vertrekken niet schuldig. Zij zoeken zekerheid, waardering en kansen voor hun gezin. Die keuze verdient respect. Juist daarom moet de vraag zijn wat Suriname kan veranderen, zodat blijven ook een geloofwaardige keuze wordt.
De druk op wie blijft
Wanneer collega’s vertrekken, verdwijnt hun werk niet vanzelf. De mensen die blijven kunnen meer diensten, meer verantwoordelijkheid en minder ruimte voor herstel krijgen. Dat vergroot het risico op uitputting. Het kan bovendien zwaar zijn om te weten welke zorg een patiënt nodig heeft, maar onvoldoende mensen of middelen te hebben om die te bieden.
Ook jongeren kijken mee. Als steeds meer ervaren mensen hun toekomst elders zoeken, kan het idee groeien dat vooruitkomen alleen buiten Suriname mogelijk is. Dat gevoel mogen we niet laten vastgroeien. Een land heeft mensen nodig die willen bouwen én ervaren dat hun inspanningen ertoe doen.
Meer dan een grondbeschikking
Een betere beloning en een eigen woning kunnen helpen. Begin oktober kregen negentig AZP-medewerkers een grondbeschikking. Daarbij benadrukten betrokkenen ook het belang van infrastructuur, betaalbare woningbouw en betere werkomstandigheden. Een beschikking alleen bouwt nog geen huis.
Ik pleit daarom voor een samenhangend beleid. Zorg voor werkbare roosters, voldoende personeel, opleidingsmogelijkheden en ondersteuning bij overbelasting. Vakbonden moeten naast koopkracht ook deze voorwaarden blijven verdedigen.
Mijn voorstel is om bij gronduitgifte aan zorgpersoneel te onderzoeken of een tienjarig verkoopverbod en een zorgvuldig geregelde afspraak over werken in de zorg mogelijk en redelijk zijn. Zulke voorwaarden vragen juridische toetsing en duidelijke uitzonderingen. De onbewezen aanname dat medewerkers hun grond doorgaans direct doorverkopen, mag daarvoor geen uitgangspunt zijn.
Olie-inkomsten en toekomstplannen krijgen pas betekenis wanneer mensen hier een bestaan kunnen opbouwen. Het zorgzame hart van Suriname mag niet afhankelijk worden van geld en telefoontjes uit Amsterdam. Geef wie wil blijven een reden om te geloven dat zij hier ook toekomst heeft.
Samen sparen is voor veel Surinamers een vertrouwd idee. Een groep legt regelmatig geld in en telkens krijgt één deelnemer de gezamenlijke pot. Kasmoni draait om duidelijke afspraken, vertrouwen en de verplichting om te blijven betalen. Kan deze oude spaartraditie ook jongeren helpen in een wereld waarin steeds meer via de telefoon gebeurt?
Een vertrouwd idee
Kasmoni is uitvoerig beschreven door onderzoeker Aspha Bijnaar. Haar onderzoek laat zien hoe mensen in Suriname en Nederland dit systeem gebruiken om te sparen en grotere uitgaven mogelijk te maken. Wie vroeg aan de beurt is, ontvangt geld dat hij met latere bijdragen terugbetaalt. Wie als laatste ontvangt, heeft de pot eerst bij elkaar gespaard.
Vergelijkbare spaarvormen bestaan in verschillende delen van de wereld, waaronder West-Afrika, India en Indonesië. Dat maakt kasmoni onderdeel van een bredere geschiedenis van samen sparen. De precieze ontwikkeling in Suriname is echter niet volledig vastgelegd. We moeten daarom voorzichtig zijn met de voorstelling dat drie tradities hier op een aantoonbaar moment samensmolten tot één systeem.
De kas op je telefoon
Een digitale kasmoni zou de administratie eenvoudiger kunnen maken. Een app kan laten zien wie heeft betaald, wanneer de volgende inleg nodig is en wie de pot ontvangt. Herinneringen kunnen helpen om afspraken na te komen. Deelnemers hoeven dan minder afhankelijk te zijn van losse berichten of een schriftje.
Voor jongeren die gewend zijn veel via hun telefoon te regelen, kan dat aantrekkelijk zijn. Maar daarmee staat nog niet vast dat een hele generatie de banken wantrouwt of op digitale kasmoni zit te wachten. Dat moet blijken uit onderzoek en uit de ervaringen van deelnemers.
De mogelijke kracht zit vooral in het gezamenlijke doel. Wie alleen spaart, kan gemakkelijk besluiten deze maand over te slaan. Wie deelneemt aan een groep, heeft ook een afspraak met anderen. Die betrokkenheid kan helpen om vol te houden.
Vertrouwen past niet vanzelf in een app
Een digitaal overzicht is nog geen garantie dat iedereen betaalt. Wat gebeurt er als iemand de pot ontvangt en daarna afhaakt? Wie vangt het tekort op? En wie helpt wanneer er ruzie ontstaat over een betaling? Een app neemt zulke vragen niet weg.
Ook moet duidelijk zijn wie het geld beheert, welke kosten worden gerekend en wie toegang heeft tot de gegevens. Deelnemers moeten kunnen begrijpen wat zij afspreken. Een mooi scherm mag de risico’s niet verbergen.
Regels moeten bij de uitvoering passen
Er is verschil tussen een app die alleen afspraken bijhoudt en een onderneming die zelf geld ontvangt en doorbetaalt. In Nederland kunnen betaaldiensten onder een vergunningplicht vallen; er bestaan ook uitzonderingen en vrijstellingen. Welke regels gelden, hangt af van de dienstverlening. Nederlandse of Europese regels mogen bovendien niet zonder meer op Suriname worden toegepast.
Voor een concreet initiatief moet daarom vooraf worden uitgezocht welke lokale regels gelden, hoe deelnemers worden beschermd en wie verantwoordelijk is als iets misgaat.
De menselijke maat behouden
Digitale kasmoni is een mogelijkheid die onderzoek verdient. Zij hoeft de bank niet te vervangen om nuttig te zijn. Als techniek de administratie ondersteunt, kosten zichtbaar maakt en afspraken verduidelijkt, kan zij een vertrouwde traditie toegankelijker maken.
De belangrijkste voorwaarde blijft menselijk: deelnemers moeten op elkaar én op de beheerder kunnen vertrouwen. De vernieuwing zit niet alleen in de app, maar in de manier waarop zij het samen sparen ondersteunt.
Het TAS-gebouw. Foto: Sam Blankendal / de Vliegende Reporter, via Starnieuws.
Een verstreken benoemingstermijn, een slepend onderzoek en een president die moet laten zien dat erkenning van de wet ook tot handelen leidt.
De crisis rond de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (TAS) is meer dan een conflict tussen een directeur en een Raad van Commissarissen (RvC). Zij legt de spanning bloot tussen staatsbelang, politieke macht en persoonlijke belangen. Een slepend conflict, een aangekondigd maar uitgebleven onderzoek en een moeizame bestuursoverdracht: het heeft alle ingrediënten van een politieke soap.
Alleen is TAS geen televisiestudio. Het is een publieke instelling die haar wettelijke taken moet kunnen uitvoeren.
De wet is geen draaiboek waaruit politici naar believen scènes kunnen schrappen.
Vijf jaar is vijf jaar
Wendy Jap-A-Joe werd in 2021 voor vijf jaar benoemd tot directeur van TAS. Artikel 2, lid 2, van de Wet Telecommunicatievoorzieningen vormt de wettelijke basis voor de benoemingsduur.
Volgens de RvC verstreek haar termijn op 19 oktober 2026. De raad stelde dat zij vanaf 20 oktober niet langer bevoegd was als directeur op te treden en beriep zich voor de tijdelijke bestuurstaak op artikel 4, lid 2.
Een verstreken benoemingstermijn wordt niet vanzelf verlengd doordat partijen van mening verschillen of nader onderzoek verlangen. De rechtspositie moet worden beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wettelijke voorschriften, het benoemingsbesluit en de voorwaarden van een eventueel rechtsgeldig aangegane arbeidsovereenkomst. Arbeidsrechtelijke aanspraken kunnen blijven bestaan, maar verlengen niet automatisch de publiekrechtelijke bevoegdheid om als directeur op te treden.
Onderzoek is geen eindstation
President Jennifer Geerlings-Simons verklaarde op 21 oktober dat zij geen resolutie voor een volgende directeur zou ondertekenen voordat het gewenste onderzoek had plaatsgevonden. Volgens haar hadden zowel de RvC als Jap-A-Joe met dat onderzoek ingestemd, maar het was niet uitgevoerd. Zie de verklaring van de president.
Een aangekondigd onderzoek rechtvaardigt niet zonder meer dat bestuurlijke besluitvorming voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld. De president moet duidelijk maken hoe deze voorwaarde zich verhoudt tot de wettelijke benoemingsprocedure en de noodzaak de continuïteit van TAS te waarborgen. Wie onderzoek noodzakelijk acht, moet ook duidelijkheid geven over de opdracht, de uitvoering en de termijn.
In haar brief van 22 oktober 2026 heeft de president schriftelijk bevestigd dat de benoemingstermijn van Jap-A-Joe van rechtswege is verstreken. Ook meldde zij dat er geen door de minister vastgestelde arbeidsovereenkomst bestaat als bedoeld in artikel 4, lid 4, van de wet. Zij droeg de minister op de RvC de noodzakelijke ondersteuning te bieden om zijn wettelijke taken uit te voeren.
Dat is een formele stap, maar nog geen gerealiseerde bestuursoverdracht. De vraag is welke concrete maatregelen volgen en wanneer de bestuurlijke duidelijkheid wordt hersteld.
Staatsbelang is geen partijbelang
De affaire roept een ongemakkelijke vraag op: waarom mondt een wettelijk geregelde benoeming uit in een slepend machtsconflict? Dat partijpolitieke loyaliteiten of persoonlijke belangen de besluitvorming daadwerkelijk bepalen, kan niet zonder bewijs als vaststaand feit worden gepresenteerd. Aanhoudende onduidelijkheid voedt echter wel de indruk dat politieke verhoudingen zwaarder wegen dan institutionele verantwoordelijkheid.
TAS is bij wet ingesteld en is geen partijpolitieke buit. Het bestuur van een publieke instelling behoort te worden gestuurd door wettelijke normen en het publieke belang, niet door politieke gunstverlening, interne machtsstrijd of de belangen van een coalitie.
President, maak de rechtsorde af
President Simons heeft de juridische situatie erkend en de minister opgedragen de RvC te ondersteunen. Nu moet blijken dat deze interventie leidt tot een rechtmatige bestuursoverdracht, duidelijkheid over de tijdelijke bevoegdheidsuitoefening en een opvolgingsprocedure overeenkomstig de wet. Een onderzoek mag de bestuurlijke impasse niet langer laten voortduren dan juridisch gerechtvaardigd is.
De president hoeft geen partij te kiezen in een persoonlijk conflict. Zij moet ervoor zorgen dat de wettelijke bevoegdheidsverdeling wordt gerespecteerd en TAS haar taken kan blijven uitvoeren.
Een publieke instelling is geen verlengstuk van partijpolitieke belangen. Een verstreken benoemingstermijn is geen uitnodiging tot eindeloos onderhandelen. En presidentieel gezag bewijst zich niet door de wet te citeren, maar door de naleving ervan te waarborgen.
De TAS-soap heeft lang genoeg geduurd. Suriname heeft geen volgende aflevering nodig, maar een rechtsstatelijke oplossing: geen politieke gunsten of persoonlijke overwinningen, maar uitvoering van de wet.
K. (Chinta) Ramdhan en Kries Mahabier
Redactionele actualisering (24 oktober 2026): ABC meldde op 23 oktober dat Wendy Jap-A-Joe een kort geding heeft aangespannen tegen zes RvC-leden en de minister van TCT, gericht tegen de voorgenomen overdracht. Haar juridische positie wordt daarmee betwist; deze berichtgeving is geen rechterlijk oordeel.
Suriname staat op papier opnieuw aan de vooravond van een gouden tijd. De verwachte olie-inkomsten moeten zorgen voor meer welvaart, betere voorzieningen en een economie die niet op één inkomstenbron leunt. Het rapport Suriname 2050 schetst daarvoor een richting. Maar tussen een toekomstplan en het dagelijks leven ligt een grote afstand.
Terwijl deskundigen over 2050 praten, vraagt de burger zich af hoe hij deze maand rondkomt. Voedsel, gezondheidszorg, drinkwater en betrouwbare stroom kunnen niet wachten tot de olie rijkelijk geld oplevert. Hoeveel vertrouwen kan een toekomstplan krijgen als mensen vandaag nauwelijks zekerheid hebben?
De verwachting dat geld van buitenaf ons vanzelf rijk maakt, is niet nieuw. Rond de onafhankelijkheid in 1975 leefden hoge verwachtingen over de Nederlandse ontwikkelingsmiddelen. Later droeg de bauxietindustrie een belangrijk deel van onze economie. Toch bleven wij kwetsbaar. De les is duidelijk: inkomsten uit grondstoffen worden niet vanzelf welvaart voor iedereen.
Ook nu dreigt zo’n olie-illusie. Niet omdat de kansen onwerkelijk zijn, maar omdat verwachtingen gemakkelijk vooruitlopen op wat de samenleving werkelijk kan dragen.
Het eindrapport Suriname 2050 van 29 maart 2026 is een algemeen beleidskader. Daarnaast werkt de regering aan ontwikkelingsbeleid richting 2030. Dat zulke plannen nodig zijn, staat buiten kijf. Mijn vraag is of ons bestuur ze ook over meerdere regeringen heen kan uitvoeren.
De begroting laat zien hoe moeilijk dat is. In het Financieel Jaarplan 2026, gedateerd 29 mei, wordt voor 2026 een begrotingstekort van ongeveer SRD 12,9 miljard geraamd. Dat is een raming, geen definitieve eindafrekening. Maar zij maakt duidelijk dat toekomstige rijkdom de problemen van vandaag niet oplost.
Een fonds voor olie-inkomsten kan helpen geld te bewaren en grote schommelingen op te vangen. Alleen: een wet op papier garandeert nog geen zorgvuldig bestuur. Daarvoor zijn onafhankelijke controle, openheid over inkomsten en uitgaven en bestuurders die zich aan afspraken houden noodzakelijk.
Zolang politieke vrienden en de eigen achterban voorrang krijgen, blijven plannen kwetsbaar. Als ieder kabinet opnieuw begint of het werk van voorgangers afbreekt, bereiken we die verre horizon niet. Voortdurend kleine brandjes blussen mag geen vervanging worden voor beleid.
Ook economisch schuilt er gevaar in plotselinge rijkdom. Als de oliesector veel geld en mensen aantrekt, kunnen landbouw en andere bedrijven moeilijker concurreren. Meer geld kan bovendien prijzen opdrijven. Dat is geen onvermijdelijk lot, maar wel een risico waarop wij ons moeten voorbereiden.
Voor burgers is de korte termijn geen vrije keuze. Wie bezig is met eten, huur en schoolkosten, heeft weinig ruimte voor beloften over 2050. Minder inflatie betekent bovendien niet dat eerdere prijsstijgingen verdwijnen. En als vakmensen vertrekken, verliezen we juist de kennis die nodig is om de toekomst op te bouwen.
Daarom moeten de eerste olieopbrengsten ook merkbaar bijdragen aan een steviger fundament: water, stroom, onderwijs, zorg en kansen om te werken en te ondernemen. Niet via een nieuwe ronde politieke gunsten, maar via duidelijke prioriteiten en controleerbare resultaten.
Dat vraagt om zorgvuldig kiezen en een haalbaar tempo. Alles onmiddellijk uitgeven is evenmin een oplossing. Sparen voor later en herstellen wat vandaag tekortschiet, moeten met elkaar worden verbonden.
Mijn bezwaar is dat een toekomstvisie een papieren belofte blijft wanneer het heden wordt verwaarloosd. Pas als mensen meer zekerheid ervaren en bestuurders betrouwbaar handelen, krijgt Suriname 2050 werkelijk een kans.
Ik heb geluisterd naar mensen die nu op leeftijd zijn. Naar hun herinneringen, soms verteld in korte fragmenten. Die breng ik hier samen, in mijn woorden.
Een naam valt. Iemand kijkt naar de deur. Een stem wordt zachter.
Voetstappen. Een auto stopt. Er wordt op de deur geklopt.
Een oudere dame krimpt in elkaar.
Op het toilet zit een moeder die er niet uit wil komen. Ook zij heeft het gehoord. Ze legt haar hand over de mond van haar vierjarige dochtertje. Dat kind begrijpt dat het stil moet zijn. En huilt zachtjes.
De omstandigheden verschillen in de herinneringen die mij zijn verteld. Maar telkens komt de vraag terug hoe mensen zichzelf en hun gezin buiten gevaar probeerden te houden. Het geweld van 1982 liet sporen achter bij mensen die daarna verder moesten leven, werken en hun kinderen grootbrengen. Wat heeft die angst met ons gedaan? En in hoeverre ligt daar een oorsprong van wat ik vandaag als moreel faillissement zie?
Zwijgen kon bescherming bieden. Wie wist wat anderen was overkomen, woog zijn woorden. Een waarschuwing aan een kind — “daar praat je buiten niet over” — kon voortkomen uit liefde en verantwoordelijkheid. Ouders wilden dat hun kinderen veilig thuiskwamen.
Wie dat zwijgen achteraf veroordeelt, moet ook vragen wat spreken had kunnen kosten. De verantwoordelijkheid voor onderdrukking ligt bij degenen die haar uitoefenden. Zij mag niet worden afgewenteld op mensen die probeerden te overleven.
Maar wat gebeurt er wanneer zulke waarschuwingen jarenlang worden herhaald? Een kind leert welke namen een gesprek doen stilvallen. Het merkt wanneer volwassenen elkaar aankijken en van onderwerp veranderen. Het kan die voorzichtigheid overnemen zonder de gebeurtenis te kennen waaruit zij is ontstaan. Kan angst ook doorwerken in volgende generaties?
De vlucht Vele duizenden verlieten Suriname, niet alleen om economische redenen, maar ook om hun leven te behouden en hun kinderen en gezinnen te beschermen. In de herinneringen die mij zijn verteld, komt ook dat vertrek terug. Gevlucht om een leven zonder angst te kunnen opbouwen.
Maar kon de angst achterblijven in het land dat zij verlieten? Of reisde die mee?
De terugkeer naar democratisch bestuur verdient vanuit dat perspectief aandacht. In 1987 kreeg Suriname een nieuwe Grondwet en kwamen er weer verkiezingen. Tegelijk behield het leger grondwettelijke politieke bevoegdheden. Volgens de officiële toelichting van 1992 bestonden daar al vóór het referendum ernstige bezwaren tegen. Toch werd de tekst aanvaard om de terugkeer naar democratie mogelijk te maken.
Een voorgenomen herziening bleef aanvankelijk uit door wat die toelichting “diverse omstandigheden” noemt. De telefooncoup van december 1990 toonde hoe kwetsbaar het burgerbestuur nog was. In 1992 werden de politieke bevoegdheden van het leger uit de Grondwet geschrapt: een wezenlijke stap om de militaire invloed terug te dringen. Memorie van toelichting bij de wijzigingswet van 8 april 1992.
Een staatsbestel kan echter sneller veranderen dan het vertrouwen van degenen die onder bedreiging hebben geleefd. Wanneer voel je je weer veilig genoeg om kritiek te geven? Welke ervaringen overtuigen je ervan dat bescherming ook geldt voor iemand zonder politieke connecties?
Wanneer tegenspraak gevaarlijk is geweest, kan wegkijken vertrouwd raken. Wanneer macht bescherming biedt, kan verbondenheid met een machthebber belangrijker worden dan diens handelen. En waar openlijke gesprekken worden vermeden, kunnen verhalen achter gesloten deuren gaan circuleren. Vermoedens worden doorverteld, terwijl betrokkenen niet rechtstreeks worden bevraagd. Zo kunnen angst en wantrouwen elkaar versterken.
Dat is geen verklaring voor iedere roddel, iedere politieke loyaliteit of iedere misstand. Eigenbelang en machtswellust bestonden vóór 1982. Mensen kunnen bovendien bewust profiteren van een situatie waarvoor anderen bang zijn. We moeten die verschillen wel blijven zien.
Angst kan gedrag verklaren. Zij ontslaat ons niet voor altijd van verantwoordelijkheid.
Daarom moeten we ook onze huidige keuzes onderzoeken. Wanneer is zwijgen nog bescherming? Wanneer wordt het berusting? En wanneer kiezen wij ervoor niets te zeggen omdat het ons goed uitkomt?
Wat ik moreel faillissement noem, wordt zichtbaar wanneer wij bij onze eigen leider vergoelijken wat wij bij een tegenstander veroordelen. Wanneer slachtoffers worden weggezet omdat hun verhaal een politieke held beschadigt. Wanneer loyaliteit zwaarder weegt dan aantoonbaar onrecht.
Dat oordeel richt zich op ons handelen, niet op een vermeend gebrek in de Surinaamse bevolking. Er zijn altijd mensen geweest die zich uitspraken, anderen beschermden en tegenmacht organiseerden. Hun optreden laat zien dat angst mensen niet allemaal dezelfde kant op dwingt.
Herstel vraagt om ruimte voor kritiek binnen de eigen partij, bescherming voor wie misstanden meldt en respect voor nabestaanden die hun verhaal vertellen. Vertrouwen groeit wanneer mensen ervaren dat die bescherming werkelijk geldt, ook zonder invloedrijke vrienden. Daarvoor moeten wij dezelfde normen hanteren voor vrienden en tegenstanders.
De moeder en haar dochtertje uit de opening van het verhaal brengen mij terug naar de kern. Niemand zou een kind zo stil hoeven houden uit vrees voor wat er aan de deur staat. En niemand zou een leven lang moeten blijven spreken alsof die dreiging nog ieder moment kan terugkeren.
Wat ooit nodig was om te overleven, mag niet onbesproken bepalen hoe wij vandaag samenleven.
Daarom krijg ik kippenvel wanneer Kanhai Bouterse in het verlengde plaatst van het streven van Anton de Kom. Hij deed die uitspraak in een interview met LIM FM, volgens de weergave van Suriname Herald van 18 oktober 2026.
Ik denk dan aan de moeder op het toilet. Aan haar hand over de mond van haar dochtertje.
Welke normen stellen wij aan degenen die ons willen besturen? Die vraag wordt concreet nu berichten verschijnen over een mogelijke nieuwe politieke partij rond Romano Meriba. Zijn geschiedenis vraagt om meer dan een aankondiging, een nieuw team en de belofte dat alles anders wordt.
Meriba beëindigde op 23 september zijn lidmaatschap van de NDP. Hij noemde het een persoonlijke, weloverwogen keuze en ontkende onvrede of een conflict met de partijleiding. Daarna meldde Bennie Miranda dat Meriba samen met Dino Bouterse een partij zou oprichten. Die partijvorming behandelen wij als een bericht van derden; een bevestiging van Meriba zelf hebben wij in de gecontroleerde bronnen niet gevonden.
Een geschiedenis die meetelt
Volgens de geraadpleegde nieuwsverslagen werd Meriba in 2005 veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf voor roof en doodslag. Zijn pleegvader, toenmalig president Desi Bouterse, verleende hem in 2011 gratie. In 2017 volgde een nieuwe veroordeling: drieënhalf jaar wegens betrokkenheid bij een roofoverval in november 2015. Volgens de NOS bleek uit onderzoek dat hij de overval had beraamd. Bij de daaropvolgende schotenwisseling met de politie kwamen twee overvallers om het leven.
In april 2018 kwam hij vrij na twee derde van de opgelegde straf. Starnieuws meldde dat zijn hechtenis werd opgeheven omdat behandeling in hoger beroep uitbleef. De uiteindelijke afloop van dat hoger beroep hebben wij met de geraadpleegde bronnen niet vastgesteld.
Dit zijn ernstige feiten. Wie politiek vertrouwen vraagt, moet begrijpen dat deze geschiedenis zwaar meeweegt. Gratie verandert niets aan de noodzaak daarover verantwoording af te leggen.
Een tweede kans en publiek vertrouwen
Mensen moeten na detentie hun leven opnieuw kunnen opbouwen. Werk, onderwijs en maatschappelijke deelname horen daarbij. Meriba heeft publiek gesproken over verandering, liefdadigheid en zijn inzet voor jongeren. Waterkant berichtte in 2024 dat hij het voorgaande jaar een Bachelor of Business Administration had behaald. Die ontwikkeling verdient vermelding.
Maar een diploma bewijst geen integriteit. Buurtwerk bewijst geen bestuurlijke geschiktheid. Wie verantwoordelijkheid over anderen wil dragen, moet laten zien hoe hij zelf verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.
Dat geldt ook voor toezicht bij een publieke instelling. De personeelsbond van het Psychiatrisch Centrum Suriname droeg Meriba in augustus 2025 voor als vertegenwoordiger in het toezichthoudend orgaan. Latere berichtgeving meldt zijn installatie. Welke selectiecriteria, deskundigheid en integriteitsafweging daarbij zijn gebruikt, blijft een terechte publieke vraag.
Wat laat de Grondwet toe?
Een strafblad leidt niet automatisch tot levenslange uitsluiting van politieke functies. De Grondwet maakt onderscheid tussen kiesrecht, verkiesbaarheid en de aanvullende voorwaarden voor het presidentschap. Artikel 92 verlangt onder meer dat een presidentskandidaat niet van actief of passief kiesrecht is uitgesloten en geen handelingen heeft verricht die strijdig zijn met de Grondwet. Meriba’s persoonlijke juridische positie kunnen wij zonder de relevante uitspraken niet definitief beoordelen.
Maar de kiezer hoeft niet te wachten op juridische uitsluiting om zelf een politieke grens te trekken.
Openheid vóór vertrouwen
Als Meriba een partij wil leiden, verwachten wij concrete antwoorden. Hoe kijkt hij terug op zijn veroordelingen? Welke verantwoordelijkheid neemt hij tegenover slachtoffers en samenleving? Wie vormen zijn team, wie financiert zijn politieke activiteiten en welk programma biedt hij Suriname? Ook de instantie die hem een publieke toezichtsfunctie gaf, moet haar keuze kunnen uitleggen.
Wij lijken weinig moeite te hebben met het geven van macht. De problemen ontstaan wanneer wij vervolgens worden geconfronteerd met het handelen van degene die wij zelf hebben binnengehaald. Toch ligt diens geschiedenis vaak al vóór die keuze op tafel.
Wanneer charisma, cadeaus, pakketten en verbondenheid zwaarder wegen dan integriteit en bewezen daden, helpen wij dezelfde patronen opnieuw aan de macht.
Welke normen stellen wij aan onze leiders—en waarom laten wij die los zodra het ónze man betreft?
Suriname beschikt over enorme natuurlijke rijkdommen. Toch zijn verschillende belangrijke productiesectoren na de onafhankelijkheid van 1975 in verval geraakt. Niet omdat het land onvoldoende middelen had, maar vooral door politieke inmenging, slecht bestuur en de rol van gepolitiseerde vakbonden.
Een veelbelovend begin
Voor 1975 kende Suriname een veelzijdige economie. De Stichting Machinale Landbouw (SML) was een modern landbouwbedrijf met internationale kennis en technologie. Bruynzeel produceerde hout voor de export en zorgde voor werkgelegenheid en deviezen. Suralco was met de bauxietwinning een belangrijke inkomstenbron voor de staat.
De vooruitzichten waren gunstig. Maar na de onafhankelijkheid veranderde het beeld.
Van productie naar politieke belangen
Steeds vaker werden staatsbedrijven gebruikt om politieke aanhang aan werk te helpen. Bedrijven kregen te veel personeel, terwijl investeringen in onderhoud, technologie en vernieuwing achterbleven.
Ook vakbonden raakten verstrikt in de politiek. Stakingen en hoge looneisen tijdens economische crises zetten de toch al kwetsbare bedrijven verder onder druk.
Daar kwamen externe problemen bij: dalende bauxietprijzen, het wegvallen van Nederlandse hulp en het vertrek van geschoolde werknemers en leidinggevenden.
Het gevolg was een economie die steeds minder op eigen kracht kon produceren.
De dure rekening van Afobaka
Een opvallend voorbeeld is de Afobakadam. Op 31 december 2019 werd de dam door Alcoa overgedragen aan Suriname. Maar aan die overdracht ging een kostbare financiële afwikkeling vooraf.
De overheid gaf in december 2019 een staatslening van USD 125 miljoen uit. Na kosten en kortingen bleef ongeveer USD 111 miljoen over, waarmee achterstallige elektriciteitsbetalingen aan Suralco werden vereffend.
De dam kwam in Surinaamse handen, maar de financiering van de achterstallige betalingen betekende een nieuwe schuldenlast.
Het illustreert hoe gebrekkig financieel beheer zelfs bij de overdracht van een waardevol nationaal bezit een zware rekening kan achterlaten.
Waarom bleef Parbo Bier overeind?
Tegenover het verval van SML en Bruynzeel staat een opmerkelijke uitzondering: de Surinaamse Brouwerij, bekend van Parbo Bier.
Al vanaf de oprichting was de Nederlandse Amstel Brouwerij aandeelhouder. Toen Heineken in 1968 Amstel overnam, kwam de Surinaamse Brouwerij binnen dat internationale netwerk terecht.
Die verbinding bood een belangrijke basis voor professioneel management, internationale kennis, moderne technologie en investeringen. Ook kon zij bescherming bieden tegen binnenlandse politieke inmenging.
Daarbij komt de sterke band van Parbo Bier met de Surinaamse samenleving. De bekende djogo is veel meer geworden dan een bierfles. Het merk heeft een vaste plaats in de nationale cultuur.
De brouwerij kon bovendien gebruikmaken van internationale kennis en exportmogelijkheden.
De vloek van de grondstoffen
Economen spreken van de grondstoffenvloek wanneer landen met grote natuurlijke rijkdommen er niet in slagen die om te zetten in brede en duurzame welvaart.
Dat risico wordt groter wanneer politieke macht belangrijker wordt dan goed bestuur, bedrijven worden gebruikt voor partijbelangen en onafhankelijke controle ontbreekt.
Suriname laat zien hoe kwetsbaar een economie wordt wanneer sterke instituties ontbreken.
De les voor morgen
Het verschil tussen de teloorgang van belangrijke productiesectoren en het voortbestaan van Parbo Bier roept een fundamentele vraag op.
Waarom konden sommige bedrijven overeind blijven, terwijl andere met vergelijkbare economische mogelijkheden ten onder gingen?
Een belangrijk deel van het antwoord ligt bij bestuur, organisatie en bescherming tegen politieke inmenging.
Suriname heeft geen gebrek aan grondstoffen. De werkelijke uitdaging is ervoor te zorgen dat die rijkdom niet opnieuw verloren gaat door zwakke instituties en kortetermijnbelangen.
Want natuurlijke rijkdom zonder degelijk bestuur kan uiteindelijk een bijzonder dure rekening opleveren.
De afschaffing van de slavernij in 1863 bracht juridische vrijheid, maar nog geen gelijkwaardige maatschappelijke positie. Door het Staatstoezicht bleven veel vrijgemaakten tot 1873 verplicht onder beperkende voorwaarden werken. Daarna moesten zij hun zelfstandigheid opbouwen binnen een samenleving waarin koloniale machtsverhoudingen bleven voortbestaan.
Mijn stelling is dat het koloniale bestuur én de lichtgekleurde elite de maatschappelijke vooruitgang van de Afro-Surinaamse volksklasse begrensden. Onderwijs en hard werken boden kansen, maar toegang tot bezit, aanzien en politieke macht bleef ongelijk verdeeld.
Van plantage naar stad
Na 1873 trokken veel vrijgemaakten naar Paramaribo. Anderen zochten zelfstandigheid in de districten. In de stad boden erfwoningen, de prasi oso’s, ruimte voor gezinsleven, onderlinge steun en economische activiteiten.
De plantage-economie werd ondertussen aangevuld met nieuwe arbeidskrachten: Hindostaanse contractarbeiders vanaf 1873 en Javaanse vanaf 1890. Ook zij kwamen terecht in een koloniale arbeidsorde die hun vrijheid beperkte. De verschillende bevolkingsgroepen kregen daarmee uiteenlopende uitgangsposities, zonder dat zij zelf de inrichting van het systeem bepaalden.
Zelfstandig, maar zonder kapitaal
Vrijgemaakten kregen geen financiële basis die vergelijkbaar was met de compensatie aan voormalige slaveneigenaren. Velen waren daardoor aangewezen op loonarbeid of kleine zelfstandige activiteiten.
Afro-Surinaamse vrouwen werkten onder meer als wasvrouw, huishoudelijke hulp en verkoopster. Mannen vonden werk in ambachten en transport. De wasi-wuman laat zien hoe zwaar economische zelfstandigheid kon zijn: lichamelijk uitputtend werk, weinig middelen en afhankelijkheid van betalende klanten.
In mijn lezing weerspiegelden zulke arbeidsverhoudingen ook de macht van de elite. Wie geld en maatschappelijke invloed bezat, kon voorwaarden stellen aan degenen die hun dagelijks brood moesten verdienen. Vrouwen droegen daarbij zowel de last van hun werk als die van het huishouden.
In Coronie en Para kochten groepen vrijgemaakten gezamenlijk plantages om zelfstandig landbouw te bedrijven. Dat waren bewuste pogingen om afhankelijkheid te doorbreken. Maar zonder voldoende kapitaal, infrastructuur en afzetmogelijkheden bleef die autonomie kwetsbaar. Het koloniale beleid bood hun onvoldoende ruimte om zich tot een sterke zelfstandige boerenklasse te ontwikkelen.
Onderwijs als tweesnijdend zwaard
Onderwijs werd een belangrijk emancipatiemiddel. Met de algemene leerplicht van 1876 ontstonden nieuwe mogelijkheden, vooral voor gezinnen met toegang tot scholen. Binnen volgende generaties konden Afro-Surinamers onderwijzer, klerk of ambtenaar worden.
Tegelijk droeg onderwijs koloniale normen over. Het Nederlands en Europese cultuurvormen golden als maatstaven voor maatschappelijke geschiktheid. Vooruitkomen betekende daardoor vaak ook aanpassen aan een orde die de eigen taal en cultuur lager waardeerde.
Onderwijs opende deuren, maar maakte niet iedereen gelijk. De afstand tot scholen en de verschillen tussen stad en district bepaalden mede wie van die kansen kon profiteren.
De muren van de elite
Binnen de koloniale samenleving hingen huidskleur, bezit, opleiding en afkomst samen met maatschappelijke rangorde. Deze ‘pigmentocratie’ gaf de lichtgekleurde burgerij een bevoorrechte positie tussen het koloniale gezag en de volksklasse.
Die elite vormde geen volledig eensgezind blok. Toch ontslaat dat haar niet van kritiek. Naar mijn oordeel verdedigde een deel van deze burgerij haar eigen positie, terwijl de bredere volksklasse beperkte toegang hield tot macht en middelen.
Ook het beperkte kiesrecht beschermde de bestaande verhoudingen. Grote delen van de bevolking konden hun belangen niet via verkiezingen laten gelden. Protest en organisatie, onder anderen rond Louis Doedel en Anton de Kom, maakten die uitsluiting zichtbaar.
Vrijheid bleef een strijd
Het algemeen kiesrecht van 1948 doorbrak een belangrijke politieke uitsluiting. Het maakte echter geen einde aan de koloniale verhoudingen of aan sociale ongelijkheid.
De emancipatie tussen 1863 en 1948 was daarom geen rechte weg naar gelijkwaardigheid. Vrijgemaakten en hun nakomelingen bouwden aan zelfstandigheid, terwijl koloniale instellingen en gevestigde belangen hun mogelijkheden begrensden.
Wie deze geschiedenis uitsluitend als vooruitgang beschrijft, mist de strijd achter die vooruitgang. Juridische vrijheid was het begin. Maatschappelijke gelijkwaardigheid moest worden bevochten.
De auteur is verantwoordelijk voor de inhoud en de ingenomen standpunten.