Category: Column

  • Wanneer de voorzitter zelf het probleem wordt: procedure als machtsmiddel

    Wanneer de voorzitter zelf het probleem wordt: procedure als machtsmiddel

    Column Chinta Ramdhan en Kries Mahabier: procedure als machtsmiddel

    Het bekleden van een openbaar ambt vraagt om meer dan partijpolitieke loyaliteit. Het vereist verantwoordelijkheid voor de democratische rechtsstaat en voor de instellingen die haar dragen.

    De recente kwestie-Ramsukul staat niet op zichzelf. Wanneer de voorzitter van De Nationale Assemblée (DNA), Ashwin Adhin, herhaaldelijk onderwerp van discussie wordt vanwege zijn optreden en uitleg van het Reglement van Orde voor De Nationale Assemblée (RvO), rijst de vraag of hij het parlementaire proces onpartijdig bewaakt of vooral de politieke meerderheid dient. Die vraag raakt de kern van de parlementaire democratie: de voorzitter moet de regels bewaken die een ordelijke en eerlijke beraadslaging waarborgen.

    DNA stelt haar Reglement van Orde vast op grond van artikel 71 van de Grondwet. Een ordelijke beraadslaging vereist niet alleen naleving van die regels, maar ook een zorgvuldige en onpartijdige toepassing ervan.

    Het RvO ordent het debat; het mag geen instrument worden waarmee procedurele rechten naar eigen inzicht worden beperkt. Vooral de parlementaire inbreng van de minderheid mag niet afhankelijk worden van de politieke verhoudingen.

    Volgens Starnieuws van 10 oktober 2026 beriep Adhin zich in de kwestie-Ramsukul op de artikelen 37 en 71 van het RvO en op de parlementaire praktijk dat een lid zijn spreekbeurt in de betreffende ronde verliest wanneer hij bij afroeping afwezig is. Tegelijkertijd erkende hij dat het reglement deze specifieke situatie niet uitdrukkelijk regelt.

    Daar ligt het juridische probleem. Artikel 37 regelt het verlenen van het woord en de volgorde waarin dat gebeurt. Artikel 71 kent de Commissie van Rapporteurs bij de behandeling van een voorstel uitdrukkelijk voorrang toe. Een parlementaire praktijk kan betekenis hebben bij de uitleg van bestaande regels, maar vervangt geen reglementaire grondslag. Wanneer een spreekbeurt wordt gesanctioneerd, moet duidelijk zijn op welke bepaling dat gevolg berust.

    Dat een werkwijze eerder zowel tegenover coalitie- als oppositieleden zou zijn toegepast, vormt geen afdoende rechtvaardiging. Herhaalde toepassing maakt een regel niet onaantastbaar.

    Adhin stelt dat Ramsukul het woord niet is ontnomen, maar dat hij zijn spreekbeurt verloor doordat hij niet aanwezig was toen zijn naam werd afgeroepen. Dat onderscheid is relevant, maar beslecht de kwestie niet.

    Ramsukul was lid van de Commissie van Rapporteurs. De kernvraag is daarom niet alleen of hij bij de afroeping aanwezig was, maar ook of zijn spreekbeurt onverwacht kon worden vervroegd en vervolgens in de eerste ronde kon vervallen. Volgens Starnieuws veranderde de volgorde doordat twee commissieleden zich afmeldden. Als Ramsukul daardoor eerder aan de beurt kwam dan waarop hij zich had kunnen voorbereiden, moet worden uitgelegd op grond van welke regel die vervroeging kon plaatsvinden en waarom zijn afwezigheid op dat moment tot verlies van de spreekbeurt moest leiden.

    Zonder nadere motivering kan die afwezigheid niet zonder meer als afstand van zijn spreekrecht worden aangemerkt. Dit klemt temeer, omdat zijn fractieleider om een korte schorsing verzocht, zodat Ramsukul alsnog het woord kon voeren. Zonder beoordeling van dat verzoek aan de hand van de toepasselijke regels en de concrete omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de gevolgde procedure juridisch onvermijdelijk was.

    Dat Ramsukul later alsnog het woord kreeg, herstelt niet de beperking van zijn deelname aan de eerste ronde. Daarmee is het RvO naar ons oordeel geschonden: een leemte in het reglement mag, gelet op het legaliteitsbeginsel en op doel en strekking ervan, niet als sanctie ten nadele van een parlementair commissielid worden toegepast. De artikelen 76 en 77 van het RvO regelen weliswaar de tweede en derde lezing bij bepaalde wijzigingen van voorstellen, maar bieden geen algemeen herstelmechanisme voor een gesanctioneerde spreekbeurt.

    Adhin heeft inmiddels aangekondigd dat een rapporteur die zijn tijdelijke afwezigheid vooraf meldt, zo nodig na een korte schorsing alsnog het woord krijgt. Juist die oplossing onderstreept dat een minder ingrijpend alternatief voorhanden was. Zij bewijst niet dat de voorzitter destijds juridisch verplicht was precies die oplossing te kiezen, maar maakt wel duidelijk dat een zorgvuldige afweging vooraf had moeten plaatsvinden.

    Artikel 7 van het RvO belast de voorzitter met de leiding van de werkzaamheden, de naleving van het reglement, de handhaving van de orde en het verlenen van het woord. Hij moet procedurele conflicten beheersen en ervoor zorgen dat de vergadering haar inhoudelijke taak kan vervullen. Wanneer ingrijpende beslissingen niet overtuigend op het RvO kunnen worden gebaseerd, wordt het vertrouwen in het voorzitterschap aangetast.

    De oppositie heeft geen veto over wetgeving, maar vervult een wezenlijke functie bij parlementaire controle en beraadslaging. De meerderheid beslist over de uitkomst, maar behoort niet te bepalen onder welke procedurele voorwaarden de minderheid aan de besluitvorming kan deelnemen. Onpartijdige toepassing van de regels is daarom geen gunst aan de oppositie, maar een wezenlijk onderdeel van behoorlijk parlementair bestuur.

    Conclusie

    De kwestie-Ramsukul vraagt om een juridisch houdbare uitleg van het RvO. Een voorzitter die een reglementaire leemte gebruikt om een spreekbeurt te sanctioneren, ondermijnt het legaliteitsbeginsel én de gelijkwaardige deelname van de oppositie aan het parlementaire debat.

    Herhaalde kritiek op de vergaderleiding rechtvaardigt daarom een systematische beoordeling van het voorzitterschap. De meerderheid mag beslissen, maar de voorzitter moet waarborgen dat de minderheid daadwerkelijk aan die besluitvorming kan deelnemen.

    K. (Chinta) Ramdhan en Kries Mahabier

    De inhoud en opvattingen zijn voor rekening van de auteurs.

  • Opinie | Wo kenki a systeem; waar blijft de menselijke maat in het bestuur van president Simons?

    Opinie | Wo kenki a systeem; waar blijft de menselijke maat in het bestuur van president Simons?

    Wo kenki a systeem — Waar blijft de menselijke maat? — K. (Chinta) Ramdhan

    Wanneer de overheid een financiële tegemoetkoming aankondigt, mag de burger verwachten dat zij haar eigen regeling rechtmatig en consequent uitvoert. Het interview met de heer Coroni, die naar eigen zeggen slechts SRD 500 ontving voor zijn gouden huwelijk, terwijl hij aanspraak meent te hebben op SRD 15.000, roept ernstige vragen op over de betrouwbaarheid en rechtsstatelijke kwaliteit van het Surinaamse bestuur.

    Het verschil bedraagt SRD 14.500. Maar de principiële kwestie is groter: kan een burger erop vertrouwen dat de overheid een eenmaal vastgestelde regeling daadwerkelijk naleeft?

    Een aankondiging schept verantwoordelijkheid

    Volgens de bekendgemaakte regeringsplannen zou de tegemoetkoming voor een vijftigjarig huwelijksjubileum met ingang van 1 juli 2025 SRD 15.000 bedragen. Of deze aankondiging de heer Coroni een afdwingbaar recht op SRD 15.000 verleent, hangt af van de inhoud en rechtskracht van de toepasselijke regeling, alsmede van de voorwaarden waaronder de tegemoetkoming wordt toegekend.

    Die juridische verificatie is noodzakelijk, maar mag geen voorwendsel worden om verantwoording uit te stellen. Indien de regeling op de situatie van de heer Coroni van toepassing is, dient de overheid deugdelijk uiteen te zetten op welke grond hij slechts SRD 500 in plaats van SRD 15.000 heeft ontvangen. Indien zij niet van toepassing is, moet zij de concrete rechtsgrond daarvoor aanwijzen.

    Behoorlijk bestuur vereist uitleg

    Het legaliteitsbeginsel verlangt een toereikende rechtsgrond voor overheidshandelen. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de voorzienbaarheid van overheidsoptreden. Het gelijkheidsbeginsel verlangt dat vergelijkbare gevallen volgens dezelfde relevante maatstaven worden behandeld. En het motiveringsbeginsel vereist dat een besluit dat de rechtspositie van een burger raakt, van een deugdelijke verklaring wordt voorzien.

    Deze beginselen zijn geen abstracte juridische formules. Zij stellen concrete eisen aan de uitvoering van overheidsbeleid. Een aanzienlijk verschil tussen het aangekondigde bedrag en de feitelijke betaling vraagt om een controleerbare verklaring: welke regeling is toegepast, aan welke voorwaarden moest worden voldaan en op welke grond is het uitgekeerde bedrag vastgesteld?

    Ook het vertrouwensbeginsel is relevant. Een politieke aankondiging wordt pas tot een afdwingbare aanspraak wanneer zij in een rechtsgeldige regeling of een voldoende concrete, aan de overheid toe te rekenen toezegging is neergelegd. Wanneer een bevoegde overheidsinstantie echter een voldoende concrete toezegging doet of een rechtsgeldige regeling vaststelt, kan daaruit onder de toepasselijke voorwaarden gerechtvaardigd vertrouwen voortvloeien. De overheid kan dat vertrouwen niet zonder juridische rechtvaardiging terzijde schuiven.

    Transparantie mag niet ontbreken

    Volgens de beschikbare informatie worden huwelijksjubilea via de Burgerlijke Stand geregistreerd en worden gegevens voor verdere afhandeling aan betrokken overheidsinstanties doorgeleid. Daaruit volgt een wezenlijke vervolgvraag: volgens welke criteria wordt vastgesteld wie aanspraak maakt op de tegemoetkoming, welk bedrag daarbij wordt toegekend en op welke gronden in individuele gevallen kan worden afgeweken van het aangekondigde bedrag?

    De toepasselijke regeling, de toelatingsvoorwaarden, eventuele uitzonderingsgronden en de procedure om een onjuiste betaling aan te vechten, behoren voor burgers voldoende kenbaar te zijn. Wanneer die duidelijkheid ontbreekt, wordt het moeilijk om aanspraken te controleren en ongelijke behandeling te signaleren.

    De minister van Binnenlandse Zaken behoort daarom openheid te geven over de rechtsgrond, de uitvoeringsprocedure en de betaling aan de heer Coroni. De Nationale Assemblée kan de kwestie benutten om te onderzoeken of de regeling consequent wordt uitgevoerd. Blijken vergelijkbare gevallen zonder objectieve rechtvaardiging verschillend te zijn behandeld, dan is onderzoek naar de uitvoeringspraktijk noodzakelijk.

    De overheid moet haar eigen regels naleven

    Voor burgers met beperkte financiële middelen kan SRD 15.000 een aanzienlijk bedrag zijn. Een overheid die van haar burgers naleving van regels verlangt, moet zelf het voorbeeld geven. Zij kan een aangekondigde tegemoetkoming niet behandelen als een vrijblijvende gunst wanneer de toepasselijke regeling eenmaal een aanspraak vestigt.

    Daarom zijn drie antwoorden onontkoombaar: welke rechtsregel gold voor de heer Coroni, waarom ontving hij SRD 500 en welke correctie volgt als blijkt dat hem te weinig is betaald?

    Indien zijn aanspraak op SRD 15.000 vaststaat, dient het nog openstaande saldo alsnog te worden uitgekeerd.

    Behoorlijk bestuur wordt niet bewezen door bedragen aan te kondigen, maar door besluiten rechtmatig, transparant en gelijkelijk uit te voeren. De kwestie- Coroni verdient daarom meer dan publieke verontwaardiging: zij vraagt om een controleerbare uitleg en, waar nodig, herstel. Een overheid die haar eigen regels niet zichtbaar en consequent naleeft, verliest niet alleen het vertrouwen van haar burgers, maar tast ook haar rechtsstatelijke geloofwaardigheid aan.

    K. (Chinta) Ramdhan

  • Column | Is de Grondwet een speelbal?

    Column | Is de Grondwet een speelbal?

    Is de Grondwet een speelbal? — K. (Chinta) Ramdhan

    Een parlementaire democratie vereist niet alleen formele bevoegdheden, maar ook de feitelijke mogelijkheid om die uit te oefenen. Structurele en ongerechtvaardigde non-respons van de Regering op vragen van leden van De Nationale Assemblée (DNA) ondermijnt die mogelijkheid en raakt daarmee aan de kern van de constitutionele verantwoordingsrelatie tussen volksvertegenwoordiging en uitvoerende macht.

    De constitutionele informatieplicht

    Artikel 85, eerste lid, van de Surinaamse Grondwet bepaalt dat de Regering aan DNA de verlangde inlichtingen geeft, schriftelijk of mondeling. Het gaat om een constitutionele verplichting, niet om een vrijblijvende politieke gedragsnorm. Het Reglement van Orde voor De Nationale Assemblée (RvO) geeft daaraan procedurele vorm. Artikel 85 RvO regelt de interpellatie, waarbij een lid over een bepaald onderwerp inlichtingen van de Regering kan verlangen. Artikel 86 RvO ziet op het stellen van vragen zonder bijzonder verlof en bepaalt eveneens dat de Regering de verlangde inlichtingen verstrekt.

    Het onderscheid is juridisch relevant. Artikel 85, eerste lid, van de Grondwet verankert de informatieplicht van de Regering jegens DNA; het RvO bepaalt vervolgens binnen welke parlementaire procedures deze bevoegdheid wordt uitgeoefend. Het vragenrecht is daarmee geen vrijblijvende correspondentie met bewindspersonen, maar een instrument waarmee de volksvertegenwoordiging haar controlerende en verantwoordende functie kan uitoefenen.

    Verantwoording van President en Regering

    Dit kader is rechtstreeks relevant wanneer, zoals DNA-lid Ameerani Jarbandhan publiekelijk heeft gesteld, meerdere vragen aan de Regering en de President onbeantwoord blijven. De staatsrechtelijke vraag is dan niet uitsluitend waarom een parlementariër geen antwoord ontvangt, maar of de uitvoerende macht haar constitutionele verantwoordingsplicht feitelijk kan beperken door parlementaire informatieverstrekking structureel achterwege te laten.

    Artikel 90, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat de President Staatshoofd én Hoofd van de Regering is. Het tweede lid bepaalt dat de President verantwoording verschuldigd is aan DNA. Artikel 116, tweede lid, bepaalt dat de Regering verantwoording verschuldigd is aan DNA. Daarnaast bepaalt artikel 123, tweede lid, dat de Minister verantwoording verschuldigd is aan de President. Deze bepalingen moeten in hun onderlinge samenhang worden begrepen. Verantwoording veronderstelt immers dat de verantwoordelijke macht de noodzakelijke informatie verschaft om haar handelen te kunnen beoordelen.

    Dit betekent niet dat de President persoonlijk iedere parlementaire vraag moet beantwoorden. De interne taakverdeling binnen de Regering blijft onverlet. Die taakverdeling kan echter niet worden aangegrepen om de constitutionele verantwoordingsrelatie tussen Regering en DNA feitelijk te frustreren.

    Wanneer wordt non-respons staatsrechtelijk relevant?

    Niet iedere vertraging of onbeantwoorde vraag vormt zonder meer een constitutionele tekortkoming. De Grondwet stelt geen algemene termijn voor beantwoording en onder omstandigheden kunnen wettelijke geheimhoudingsverplichtingen of andere zwaarwegende belangen informatieverstrekking beperken. Het relevante onderscheid ligt daarom tussen incidentele of gemotiveerde non-respons enerzijds en structurele, ongerechtvaardigde non-respons anderzijds.

    Van dat laatste kan sprake zijn wanneer vragen herhaaldelijk niet binnen een redelijke termijn (“snel genoeg om het democratische proces niet te verlammen”; internationale state practice: drie tot maximaal zes weken) beantwoord worden, een patroon van niet-reageren ontstaat of zelfs niet wordt gemotiveerd waarom beantwoording achterwege blijft. Dan gaat het niet langer slechts om de behandeling van afzonderlijke vragen, maar om de vraag of de constitutioneel vereiste parlementaire verantwoording in de praktijk wordt uitgehold.

    Daarmee raakt de kwestie ook aan artikel 1 van de Grondwet, waarin is bepaald dat de Republiek Suriname een democratische staat is, gegrond op de soevereiniteit van het volk. Volkssoevereiniteit krijgt immers institutionele betekenis doordat gekozen organen hun constitutionele bevoegdheden daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Een parlement dat structureel de voor zijn taak noodzakelijke informatie wordt onthouden, kan zijn controlerende functie niet ten volle vervullen.

    Rechtsgevolgen en correctiemechanismen

    Het uitblijven van antwoorden maakt een Regering niet automatisch onwettig en leidt evenmin zonder meer tot strafrechtelijke of civielrechtelijke aansprakelijkheid. Uit artikel 85, eerste lid, van de Grondwet volgt bovendien niet zonder meer dat ieder individueel informatieverzoek als een subjectief recht bij de rechter kan worden afgedwongen. Dat betekent echter niet dat structurele non-respons juridisch zonder betekenis is.

    Wanneer de Regering een constitutioneel verankerde informatieplicht structureel en zonder aanvaardbare rechtvaardiging niet nakomt, ontstaat een tekortkoming van constitutionele betekenis in de verhouding tussen DNA en de uitvoerende macht. De primaire correctiemechanismen liggen binnen het parlementaire stelsel. DNA kan opnieuw om verantwoording verzoeken, de kwestie agenderen, het interpellatierecht benutten en, indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, het enquêterecht inzetten. Ook politieke instrumenten, waaronder moties, kunnen daarbij een rol spelen.

    Naarmate het verzuim structureler, langduriger en ongerechtvaardigder wordt, kan het bovendien uitgroeien tot een politieke vertrouwenskwestie voor een bewindspersoon of de Regering als geheel. Uiteindelijk behoort ook de electorale beoordeling tot de mechanismen waarmee binnen een democratische rechtsstaat politieke verantwoordelijkheid wordt gedragen.

    De constitutionele grens

    De trias politica berust niet op een absolute scheiding van machten, maar op een stelsel van bevoegdheden, verantwoordelijkheden en onderlinge tegenwichten. Binnen dat stelsel kan de gecontroleerde macht niet eenzijdig bepalen of en wanneer de volksvertegenwoordiging de voor haar constitutionele taak noodzakelijke informatie ontvangt.

    Daar ligt de institutionele betekenis van structurele non-respons. Een formeel bestaand vragenrecht verliest zijn effectiviteit wanneer daarop stelselmatig geen inhoudelijk antwoord volgt. De bevoegdheid blijft dan weliswaar juridisch bestaan, maar haar constitutionele werking wordt in de praktijk uitgehold.

    De artikelen 85, eerste lid, 90, tweede lid, en 116, tweede lid, van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 85 en 86 RvO, markeren een duidelijke constitutionele verantwoordingsstructuur. Zij betekenen niet dat iedere onbeantwoorde vraag een rechterlijk afdwingbare aanspraak oplevert. Wel brengen zij mee dat structurele en ongerechtvaardigde non-respons niet kan worden afgedaan als slechts een kwestie van parlementaire etiquette of bestuurlijke communicatie.

    Conclusie

    Zonder adequate parlementaire informatie is effectieve controle niet mogelijk; zonder effectieve controle verliest parlementaire verantwoording haar betekenis. De Regering mag haar interne taakverdeling bepalen, maar niet haar constitutionele informatieplicht jegens DNA in de praktijk uithollen.

    De vraag of de Regering antwoordt, betreft daarom niet slechts politieke hoffelijkheid. Zij raakt aan de werking van de constitutionele verantwoordingsrelatie tussen Regering en DNA. Wanneer die relatie structureel wordt uitgehold, komt niet alleen de effectiviteit van het parlementaire vragenrecht onder druk te staan, maar ook de praktische werking van de Grondwet als stelsel van democratische macht en tegenmacht.

    De inhoud en standpunten vallen onder verantwoordelijkheid van de auteur.

  • De rode kaart voor verdeeldheid

    Radjesh Dielbandhoesing, gastcolumnist bij Suriname Unite.

    Radjesh Dielbandhoesing
    Gastcolumn

    De rode kaart voor verdeeldheid

    Wie draagt de eenheid van Suriname?

    Het is eigenlijk een beetje gek. Je gaat naar het buitenland voor een voetbalwedstrijd, een wedstrijd waarin strijd centraal staat, emoties hoog oplopen en winnen belangrijk is. Voetbal is emotie, maar er is een grens: tussen fanatiek zijn en fatsoen verliezen, tussen strijd en vernedering, tussen emotie en gedrag dat niets meer met sport te maken heeft.

    Die grens werd tijdens Guatemala–Suriname pijnlijk zichtbaar. Surinaamse spelers meldden dat vanuit de tribunes apengeluiden werden gemaakt. Richonell Margaret reageerde en kreeg een rode kaart. De wedstrijd werd onderbroken en na afloop vroeg Suriname FIFA en Concacaf om op te treden tegen het gemelde racisme. Dat gedrag verdient zonder omwegen afwijzing. Maar daarna begint voor mij een andere vraag: hoe consequent zijn wij zelf?

    In Suriname spreken we graag over onze diversiteit. Hindoestanen, Creolen, Javanen, Marrons, Inheemsen, Chinezen, Boeroes en alle andere groepen die samen dit merkwaardige en prachtige land vormen. Jaggernath Lachmon droeg eenheid in verscheidenheid uit als een belangrijk politiek ideaal. Maar eenheid bestaat niet omdat wij haar uitspreken. Eenheid wordt zichtbaar wanneer wij dezelfde maatstaf gebruiken — óók wanneer degene die over de schreef gaat uit onze eigen kring komt.

    Niet: Hij is één van ons, dus…
    Niet: Hij is één van hen, dus…
    Maar simpelweg: Dit gedrag klopt niet. Punt.

    Beschaving behoort niet aan één bevolkingsgroep. Moraal evenmin. Fatsoen heeft geen etnische afkomst. En respect wordt niet bepaald door de kleur van je huid, je achternaam of de geschiedenis van je voorouders. Laten we ons ook niets wijsmaken: dit gebeurt niet alleen in Guatemala. Ook in Europese stadions, ook in Nederland, zijn zwarte spelers geconfronteerd met oerwoudgeluiden, racistische spreekkoren en zelfs bananen op het veld. Het probleem kent geen nationaliteit.

    Daarom is een nationaal elftal zoveel meer dan elf voetballers. Wanneer zij met Suriname op hun borst het veld betreden, vertegenwoordigen zij ons allemaal: één shirt, één vlag, één volkslied, één team. Dat is misschien juist waarom het racisme in Guatemala zo hard aankomt. Op dat moment werd niet één bevolkingsgroep vernederd. Suriname stond daar.

    Maar diezelfde eenheid moeten wij ook thuis kunnen opbrengen. Niet alleen wanneer een buitenlander ons beledigt, maar ook wanneer wij elkaar verdelen, wanneer afkomst wordt gebruikt als politiek wapen of wanneer wij beledigingen vergoelijken omdat de spreker toevallig tot onze eigen groep behoort. Eenheid vraagt iets moeilijks: dat wij iemand uit onze eigen kring net zo streng durven aanspreken als iemand daarbuiten. Dat is geen verraad aan je groep. Dat is loyaliteit aan je land.

    Misschien is dát de echte wedstrijd die Suriname moet spelen. Niet tegen Guatemala. Niet tegen een ander volk. Maar tegen onze eigen neiging om telkens weer in groepen uiteen te vallen. Onze gevaarlijkste tegenstander staat soms niet aan de overkant van het veld. Hij staat tussen ons in.

    Wie draagt de eenheid van Suriname? Wijzelf.

    Deze bijdrage is een gastcolumn. De inhoud en standpunten vallen onder verantwoordelijkheid van de auteur.

  • PRIJSVERLAGING

    PRIJSVERLAGING

    Dr. A. Jarbandhan
    Column

    Prijsverlaging is de loonsverhoging die iedereen bereikt.

    In Suriname wordt al jaren gesproken over loonsverhogingen, koopkrachtverbetering en de noodzaak om werkenden tegemoet te komen. Maar de realiteit is eenvoudig: mensen hebben geen 15% loonsverhoging nodig wanneer de prijzen in de winkels met 15% dalen.

    Het probleem in Suriname is niet dat salarissen te laag zijn, maar dat de kosten van levensonderhoud te hoog zijn. Wanneer de prijzen dalen, stijgt de koopkracht automatisch — zonder dat de overheid extra geld hoeft uit te geven aan salarisverhogingen die zij vervolgens toch niet kan betalen.

    De huidige situatie laat zien dat de inflatie jarenlang is doorgeschoten. Basisproducten zoals rijst, olie, kip, groenten, brood en medicijnen zijn voor veel gezinnen nauwelijks betaalbaar. Een loonsverhoging van 15% wordt binnen enkele maanden weer opgeslokt door nieuwe prijsstijgingen.

    Maar een prijsverlaging van 15% werkt onmiddellijk en duurzaam, omdat het alle burgers tegelijk helpt: werkenden, gepensioneerden, studenten, alleenstaande ouders en mensen in de informele sector. Bovendien is het eerlijker. Een loonsverhoging bereikt alleen mensen met een formele baan, terwijl een prijsverlaging iedereen bereikt — ook de grote groep Surinamers die geen vast inkomen heeft.

    Het stabiliseert de economie, verlaagt de druk op gezinnen en zorgt ervoor dat salarissen weer in verhouding staan tot de kosten van het dagelijks leven. De vraag is dus niet: hoeveel moeten we de lonen verhogen? De vraag is: waarom worden de prijzen niet verlaagd?

    Als de overheid de importkosten, transportkosten, belastingen en marges in de keten aanpakt, dan daalt de winkelprijs vanzelf. En wanneer de prijzen dalen, stijgt de koopkracht — zonder dat de staat extra geld hoeft te drukken of schulden hoeft te maken. Surinamers hebben recht op betaalbare producten, niet op loonsverhogingen die inflatie blijven voeden.

    Dr. A. Jarbandhan

  • RECHT

    Gevolgen: ‘in staat van beschuldigingstelling Bronto Somohardjo’

    Somohardjo van rechtswege geschorst

    Zoals u wellicht weet, zijn onlangs drie (gewezen) ambtsdragers door De Nationale Assemblée (DNA) in staat van beschuldiging gesteld, namelijk Gillmore Hoefdraad, Riad Nurmohamed en Bronto Somohardjo. De eerste twee zijn thans niet meer in functie, maar Somohardjo wel, weliswaar in een andere functie dan die van minister, maar hoe dan ook in een publieke functie, namelijk als DNA-lid. Op basis van artikel 11 lid 3 van de Wet in staat van beschuldigingstelling (WIPA) is Bronto Somohardjo onmiddellijk en van rechtswege geschorst als DNA-lid. Desondanks blijft hij functioneren in DNA.

    Wij hebben commentaren gehoord waarin gesteld werd dat artikel 68 van de Grondwet limitatief heeft opgesomd in welke gevallen een DNA-lidmaatschap eindigt, en dat in die opsomming een ‘in staat van beschuldigingstelling’ niet voorkomt. Somohardjo zou dus gewoon in DNA mogen participeren. Hierover kunnen wij kort zijn. De Grondwet heeft het over beëindiging van het lidmaatschap, terwijl de WIPA het heeft over schorsing. Een schorsing is geen beëindiging. Wij vinden het zeer merkwaardig dat wij dit verschil in onze column moeten uitleggen. Kortom, de Grondwet werpt geen barrières op voor de schorsing van Somohardjo als DNA-lid.

    Art. 11 WIPA

    ‘Onmiddellijk na het besluit van De Nationale Assemblée om de politieke ambtsdrager in staat van beschuldiging te stellen …… is geschied, is de betrokken politieke ambtsdrager die in functie is, ……… van rechtswege in zijn functie geschorst ……’

    De woorden ‘onmiddellijk’ in combinatie met ‘van rechtswege’ zeggen al dat Somohardjo direct als geschorst moet worden beschouwd, waarvoor geen nader besluit nodig is.

    Ingevolge artikel 1 lid c onder 5 WIPA worden DNA-leden gelijkgesteld met politieke ambtsdragers. De hoedanigheid van DNA-lid wordt gezien als een ambt. Anders gezegd: naar analogie van de WIPA is het DNA-lidmaatschap een functie, een ambt. De WIPA rekent leden van DNA dus tot politieke ambtsdragers. Daardoor is Somohardjo, hoewel hij zijn ministeriële functie inmiddels niet meer uitoefent, op het moment van de in staat van beschuldigingstelling een ambtsdrager in functie, namelijk als DNA-lid.

    Wat begrijpt DNA-voorzitter Ashwin Adhin nou niet?

    Zoals u hierboven heeft kunnen lezen, is er geen andere handeling nodig om vast te stellen dat Somohardjo geschorst is. Op grond hiervan had DNA-voorzitter Ashwin Adhin rechtsstatelijk dienen te handelen en Bronto Somohardjo de toegang tot het DNA-gebouw en vooral de toegang tot DNA-vergaderingen terstond dienen te ontzeggen.

    Wij achten het zeer verachtelijk dat Adhin de wet opzettelijk met de voeten treedt. Nog verwerpelijker is dat de coalitiegenoten van de NDP, van wie enkelen pretenderen kerkelijkheid en rechtsstatelijkheid hoog in het vaandel te dragen, niets zeggen en stilzwijgend instemmen met deze verwerpelijke handeling van Adhin.

    Sterker nog, DNA-lid Steven Reyme zit pal naast Somohardjo in DNA, maar aan de andere kant predikt hij op Gods Woord gebaseerde oprechtheid. Hoe serieus moeten wij deze figuren nou nemen?

    Of Adhin en de coalitieleden de schorsing van Somohardjo nou willen of niet: Somohardjo is geschorst, punt.

    Alle DNA-besluiten na de in staat van beschuldigingstelling zijn ongeldig

    Op grond van jurisprudentie van het Surinaamse Hof van Justitie (zaaknummer: CIVAR no. 2020H00039) heeft het besluit van DNA juridische gevolgen. Wij citeren het Hof hierbij:

    ‘Het besluit van De Nationale Assemblée (DNA) op het verzoek van de procureur-generaal tot het in staat van beschuldiging stellen van Hoefdraad is geen bestuursbesluit. DNA is geen bestuursorgaan ………… Het besluit van DNA is daarom een parlementair besluit met juridische gevolgen ……’

    Nu vaststaat dat Somohardjo geschorst is, heeft dit als juridisch gevolg dat alle besluiten van DNA waaraan hij heeft deelgenomen nadat hij in staat van beschuldiging was gesteld, ongeldig zijn. Aan al die besluiten heeft een geschorst DNA-lid deelgenomen en daarom zijn deze volgens ons volstrekt ongeldig. Hier creëert men een constitutioneel probleem dat zijn weerga niet kent.

    De stevigheid die je als voorzitter nodig hebt, kan zich soms tegen je keren als je die verkeerd inzet of daarin doorschiet. Er is een punt bereikt waarop zo doormodderen met Ashwin Adhin het aanzien van het Huis van het Volk enorme schade toebrengt, zowel in binnen- als buitenland.

    Van de NDP is het alom bekend dat rechtsstatelijkheid niets voorstelt. Reden waarom wij uitkijken naar de verrichtingen van de coalitiegenoten van de NDP.

    Sunil Sookhlall & Kries Mahabier

    Sunil.sookhlall@hotmail.com