
Het bekleden van een openbaar ambt vraagt om meer dan partijpolitieke loyaliteit. Het vereist verantwoordelijkheid voor de democratische rechtsstaat en voor de instellingen die haar dragen.
De recente kwestie-Ramsukul staat niet op zichzelf. Wanneer de voorzitter van De Nationale Assemblée (DNA), Ashwin Adhin, herhaaldelijk onderwerp van discussie wordt vanwege zijn optreden en uitleg van het Reglement van Orde voor De Nationale Assemblée (RvO), rijst de vraag of hij het parlementaire proces onpartijdig bewaakt of vooral de politieke meerderheid dient. Die vraag raakt de kern van de parlementaire democratie: de voorzitter moet de regels bewaken die een ordelijke en eerlijke beraadslaging waarborgen.
DNA stelt haar Reglement van Orde vast op grond van artikel 71 van de Grondwet. Een ordelijke beraadslaging vereist niet alleen naleving van die regels, maar ook een zorgvuldige en onpartijdige toepassing ervan.
Het RvO ordent het debat; het mag geen instrument worden waarmee procedurele rechten naar eigen inzicht worden beperkt. Vooral de parlementaire inbreng van de minderheid mag niet afhankelijk worden van de politieke verhoudingen.
Volgens Starnieuws van 10 oktober 2026 beriep Adhin zich in de kwestie-Ramsukul op de artikelen 37 en 71 van het RvO en op de parlementaire praktijk dat een lid zijn spreekbeurt in de betreffende ronde verliest wanneer hij bij afroeping afwezig is. Tegelijkertijd erkende hij dat het reglement deze specifieke situatie niet uitdrukkelijk regelt.
Daar ligt het juridische probleem. Artikel 37 regelt het verlenen van het woord en de volgorde waarin dat gebeurt. Artikel 71 kent de Commissie van Rapporteurs bij de behandeling van een voorstel uitdrukkelijk voorrang toe. Een parlementaire praktijk kan betekenis hebben bij de uitleg van bestaande regels, maar vervangt geen reglementaire grondslag. Wanneer een spreekbeurt wordt gesanctioneerd, moet duidelijk zijn op welke bepaling dat gevolg berust.
Dat een werkwijze eerder zowel tegenover coalitie- als oppositieleden zou zijn toegepast, vormt geen afdoende rechtvaardiging. Herhaalde toepassing maakt een regel niet onaantastbaar.
Adhin stelt dat Ramsukul het woord niet is ontnomen, maar dat hij zijn spreekbeurt verloor doordat hij niet aanwezig was toen zijn naam werd afgeroepen. Dat onderscheid is relevant, maar beslecht de kwestie niet.
Ramsukul was lid van de Commissie van Rapporteurs. De kernvraag is daarom niet alleen of hij bij de afroeping aanwezig was, maar ook of zijn spreekbeurt onverwacht kon worden vervroegd en vervolgens in de eerste ronde kon vervallen. Volgens Starnieuws veranderde de volgorde doordat twee commissieleden zich afmeldden. Als Ramsukul daardoor eerder aan de beurt kwam dan waarop hij zich had kunnen voorbereiden, moet worden uitgelegd op grond van welke regel die vervroeging kon plaatsvinden en waarom zijn afwezigheid op dat moment tot verlies van de spreekbeurt moest leiden.
Zonder nadere motivering kan die afwezigheid niet zonder meer als afstand van zijn spreekrecht worden aangemerkt. Dit klemt temeer, omdat zijn fractieleider om een korte schorsing verzocht, zodat Ramsukul alsnog het woord kon voeren. Zonder beoordeling van dat verzoek aan de hand van de toepasselijke regels en de concrete omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de gevolgde procedure juridisch onvermijdelijk was.
Dat Ramsukul later alsnog het woord kreeg, herstelt niet de beperking van zijn deelname aan de eerste ronde. Daarmee is het RvO naar ons oordeel geschonden: een leemte in het reglement mag, gelet op het legaliteitsbeginsel en op doel en strekking ervan, niet als sanctie ten nadele van een parlementair commissielid worden toegepast. De artikelen 76 en 77 van het RvO regelen weliswaar de tweede en derde lezing bij bepaalde wijzigingen van voorstellen, maar bieden geen algemeen herstelmechanisme voor een gesanctioneerde spreekbeurt.
Adhin heeft inmiddels aangekondigd dat een rapporteur die zijn tijdelijke afwezigheid vooraf meldt, zo nodig na een korte schorsing alsnog het woord krijgt. Juist die oplossing onderstreept dat een minder ingrijpend alternatief voorhanden was. Zij bewijst niet dat de voorzitter destijds juridisch verplicht was precies die oplossing te kiezen, maar maakt wel duidelijk dat een zorgvuldige afweging vooraf had moeten plaatsvinden.
Artikel 7 van het RvO belast de voorzitter met de leiding van de werkzaamheden, de naleving van het reglement, de handhaving van de orde en het verlenen van het woord. Hij moet procedurele conflicten beheersen en ervoor zorgen dat de vergadering haar inhoudelijke taak kan vervullen. Wanneer ingrijpende beslissingen niet overtuigend op het RvO kunnen worden gebaseerd, wordt het vertrouwen in het voorzitterschap aangetast.
De oppositie heeft geen veto over wetgeving, maar vervult een wezenlijke functie bij parlementaire controle en beraadslaging. De meerderheid beslist over de uitkomst, maar behoort niet te bepalen onder welke procedurele voorwaarden de minderheid aan de besluitvorming kan deelnemen. Onpartijdige toepassing van de regels is daarom geen gunst aan de oppositie, maar een wezenlijk onderdeel van behoorlijk parlementair bestuur.
Conclusie
De kwestie-Ramsukul vraagt om een juridisch houdbare uitleg van het RvO. Een voorzitter die een reglementaire leemte gebruikt om een spreekbeurt te sanctioneren, ondermijnt het legaliteitsbeginsel én de gelijkwaardige deelname van de oppositie aan het parlementaire debat.
Herhaalde kritiek op de vergaderleiding rechtvaardigt daarom een systematische beoordeling van het voorzitterschap. De meerderheid mag beslissen, maar de voorzitter moet waarborgen dat de minderheid daadwerkelijk aan die besluitvorming kan deelnemen.
K. (Chinta) Ramdhan en Kries Mahabier
De inhoud en opvattingen zijn voor rekening van de auteurs.








