6
De jaarrede was hot en faya. Suriname kreeg een tafel vol lekkers voorgeschoteld: betere zorg, beter onderwijs, infrastructuur, sociale bescherming, productie, werkgelegenheid — en natuurlijk de gouden toekomst van olie en gas.
Volgers, sympathisanten, partijgenoten en hoopzoekenden applaudisseren. Begrijpelijk. Wie jaren crisis en stilstand heeft gevoeld, wil graag geloven dat het eindelijk beter wordt.
En precies daar begint het probleem. Want geloven is geen weten.
Voor 2027 rekent de regering op SRD 70,1 miljard aan inkomsten en SRD 80,9 miljard aan uitgaven. Tekort: SRD 10,8 miljard.
Tegelijk staat USD 559 miljoen aan nieuwe buitenlandse leningen in voorbereiding. Niet alles is al definitief en niet alles wordt in één jaar opgenomen. Daarnaast kan in 2027 nog maximaal USD 195,7 miljoen uit bestaande buitenlandse leenovereenkomsten worden getrokken.
Lenen is niet per definitie verkeerd. Maar één zekerheid hebben we wel: een overheid die aantoonbaar kampt met lage begrotingsgeloofwaardigheid, frequente overschrijdingen en zwak publiek investeringsbeheer, wordt niet vanzelf kampioen in geldmanagement omdat er olie voor de kust ligt.
Meer geld in een zwak systeem maakt het systeem niet sterker. Het maakt de gevolgen van slecht beheer alleen groter.
Olie en gas veranderen dat niet.
Dus vóór het volgende applaus:
Wat kost al dat lekkers — en wie betaalt straks de rekening?
Deh fii ernstig.
